Hans Groen

« | »

gastvrije gemeenschap (2) – gezelligheid

Ons verlangen naar gemeenschap is de heimwee naar de onmiddellijke, natuurlijke gemeenschap van het gezin waarin we geboren werden. Bij natuurvolken is dat gezinsverband vaak uitgebreid met  de grootouders en de ooms en tantes ook deel uitmaken van dat verband en die de gemeenschap bestendigen in de tijd. In een samenleving die zich ontplooit, ontstaat een publiek leven waarin de gezinsgemeenschappen beperkt zijn tot de ouders met de onvolwassen kinderen. De onmiddellijke natuurlijke gemeenschap van het gezin bestaat zolang de kinderen bij de ouders blijven wonen. Als de kinderen onafhankelijk van de directe controle van hun ouders hun leven gaan inrichten, hebben zij een ‘publiek’ bestaan, zij zijn simpelweg mens onder de mensen, zonder last en ruggespraak. Die situatie is het uitgangspunt als we het nu hebben over ‘gemeenschap’.

Die ‘publieke mens’ kan (en zal) zich vast vaak binden aan het pad dat de ouders zijn gegaan of graag willen, maar dan is dat in principe een beslissing die die mens neemt: het is wat díe mens voor zijn of haar leven beslist, wat die mens wil beamen. Daarom staat volgens mij niet ‘cultuur’ tegenover ‘natuur’, maar ‘publiek’.[1] Publiek is dat je het pad van je leven als door jou besloten omarmt. Jouw bewust omarmen van een traditie maakt die handeling niet een individualistische handeling.

Het is geenszins mijn bedoeling de noodzaak van gemeenschapsbanden te ontkennen of gemeenschappen verdacht te maken (hoewel de maffia natuurlijk het ultieme voorbeeld is van hoe een gemeenschap het slechtste in de mens boven haalt). De affectieve wederkerige relaties, de gedeelde normen en waarden en de zelfs identiteit, die de gemeenschapsrelaties kenmerken, zijn essentieel voor hoe de mens mens is voor anderen in de samenleving.[2] Juist in het gezin leren we dat we met elkaar moeten delen, voor elkaar instaan, en dat je niet altijd je eigen wil kunt en moet doordrijven. Als gemeenschap is het gezin een eenheid van wil en doeleinden die de paden aangeeft voor het met name het morele handelen van de leden. Tegelijk leeft het gezin naast andere gezinnen en zullen de leden elkaar verlaten: de kinderen stichten zelf een gezin, de ouders blijven als honk en achterwacht aanwezig. Je moet dus voldoende bagage meekrijgen in de jaren dat je thuis woont om als volwassene zelfstandig te kunnen handelen en iets van het morele leven te realiseren.

Die gezinsgemeenschap kan nog wel een tijdje bestendigd worden door de wijdere familie erin op te nemen, zoals bij natuurvolken, of via een dorpscultuur die zich door bijvoorbeeld klederdracht onderscheidt van andere dorpen en waar het belangrijk is te weten: ‘van wie ben je er één’. Maar dan volg ik Herman Dooyeweerd als hij stelt: “… that individual men, as such, should have an individual sphere of social liberty withdrawn from any communal sphere”.[3] De vrijheid van het individu om met anderen verbanden aan te gaan, waartoe die ook dienen, is geen gevaar voor de menselijke samenleving, maar verbonden met het ontluiken en openen van de menselijke samenleving.

Gastvrije gemeenschappen ontstaan in de maatschappij, niet uit de gemeenschappen die van ‘nature’ en traditioneel ons individuele leven vormgeven, maar uit vrije individuen die samen met anderen verbanden vormen om in het klein of in het groot de wereld een beetje beter te maken. Die verbanden zijn ‘conventioneel’, zij ontstaan door een wilsbeslissing waarmee mensen zich bij elkaar aansluiten en met elkaar en voor elkaar verder gaan.

De maatschappij of samenleving die dan ontstaat, wordt voor het gemeenschapsdenken vooral als staats-gemeenschap of object van bestuur gezien, en dus als domein van onpersoonlijke bureaucratische relaties. Het probleem van gemeenschap is dus, denk ik, voor een groot deel dat we het publieke leven, de maatschappij of ‘Gesellschaft’, niet moreel-maatschappelijk op de juiste waarde schatten en de gemeenschapsbanden te hoog aanslaan. De maatschappij bestaat uit mensen die zich met elkaar verbonden weten en hebben, of zich met elkaar verbonden vinden. In de maatschappij vinden we ‘maten’,[4] de Gesellschaft wordt gevormd door ‘Gesellen’, gezellen, misschien wel metgezellen.[5] Die maatjes weten dat ze, net als in het gezin waarin ze opgroeiden, de eigen-aardigheden een beetje moeten matigen. Ze weten dat ze het gezellig moeten houden. Als de ooms op verjaardagsvisite over kerk en politiek beginnen en de stemmen harder worden, is er altijd wel een tante die roept ‘laten we het gezellig houden’: gezellig, wellevend, even je eigen meningen niet doordrijven. De maatschappij, en niet de gemeenschap, ontstaat en leeft als we ‘gezellig’ zijn. Een gastvrije gemeenschap is een gezellige gemeenschap.

[1] Zie in de essays van ‘Naar de stad’: natuur versus publiek.

[2] Zie een artikel van Amitai Etzioni in Community in the Digital Age, p. 225.

[3] Zie Herman Dooyeweerd, A New Critique of Theoretical Thought III, p. 581.

[4] Zie Herman Dooyeweerd, Vernieuwing en bezinning (1963), p. 222.

[5] Awater: ‘ik zoek een reisgenoot’.

Tags:
Onderwerpen: gastvrijheid, gemeenschap, Herman Dooyeweerd, identiteit, maatschappij, publiek, verbond