Hans Groen

« | »

gastvrije gemeenschap (3) – zelfgenoegzaam zijn

Gemeenschap is ergens bij horen en dat is een existentiële basis voor mens-zijn. Zonder de zorg van tenminste één ouder wordt het baby’tje geen mens. Heimwee naar de gezinsgemeenschap is een eerste ijkpunt voor ons denken over en ervaren van gemeenschap. Een volgend heimwee-punt is als je net helemaal volwassen bent — zo ruwweg: de wereld die je aantreft als je ongeveer 24 jaar bent. Op die leeftijd weet je ongeveer hoe de wereld in elkaar zit en kun je die wereld een beetje bespelen. Je hebt verschillende scholen doorlopen, hebt je eerste baan, hebt ten minste één keer parlementaire verkiezingen meegemaakt, hebt misschien al kinderen. En als je nog studeert, realiseer je je dat je met de talenten die je hebt ook een hoogwaardige bijdrage aan de maatschappij wilt en zult moeten leveren.

Op die leeftijd had ik ervaren hoe gemeenschap belangrijk is en hoe het je vormt, en dat gemeenschap ook tijdelijk is. Ik werd geboren in een Vrijgemaakt Gereformeerd gezin, en toen ik in de derde, vierde klas van de lagere school mij iets meer bewust werd van de grotere wereld, waren we Vrijgemaakt Gereformeerd Buiten verband. Nou zullen veel mensen zeggen: “Gut gut, heb je die kerken en Gereformeerden weer”, maar dat was niet mijn ervaring, ook niet terugkijkend. Kerkgemeenschappen ontsnappen niet aan de dynamiek die ook de animositeit tussen Ajax en Feijenoord fans opzweept.

De kerk van mijn jeugd was een gemeenschap waarin ik goede en fijne dingen meemaakte en die een eigen plek had in de maatschappij van toen. Eigen identiteit, maar zonder animositeit, want de gemeenschap was niet meteen doelbewust ontstaan; door omstandigheden en menselijke beperkingen was deze groep gevormd. Die kerkgemeenschap had geen grote maatschappelijke macht, zoals andere kerken die wel hebben soms. Zo rond mijn 24ste was in Amsterdam een levendige gemeenschap ontstaan met Amsterdammers, studenten, en mensen die net afgestudeerd waren en aan hun eerste baan begonnen. Ook was er een behoorlijke groep van mensen die uit Noord-Amerika kwamen en aan de Vrije Universiteit hadden gestudeerd en hun promotie-onderzoek deden. Die gemeenschap is mijn ‘heimwee’ gemeenschap, en zoals het gezin uiteenvalt, is die groep ook uiteengevallen – mensen kregen banen elders, gingen terug naar Noord-Amerika, zijn afgestudeerd; tien jaar later waren veel mensen verdwenen uit Amsterdam en hadden veel leden van  die gemeenschap zich verspreid over het land en de wereld.

Voor mij was die kerkgemeenschap toen de meest belangrijke gemeenschap waar ik mij aan verbonden voelde, maar het was niet de exclusieve. Het studentenkoor van de Vrije Universiteit was een andere gemeenschap waar ik lang deel van uitgemaakt heb – tot aan het opheffen van het Koor Nieuwe Muziek vlak na 2000. Beide groepen leerden mij dat ‘gemeenschap’ ook in een diaspora blijft doorwerken want er zijn steeds wel momenten waar je mensen uit die groepen weer ontmoet en het gesprek meteen oppikt en voortzet.

Je bent altijd onderdeel van verschillende gemeenschappen. De ene gemeenschap kan belangrijker zijn dan de andere, maar dat is een nevengeschikte hiërarchie. Je bent niet alleen maar Nederlands staatsburger, of inwoner van 020, of Gereformeerd Vrijgemaakt Buiten Verband, of opgenomen in de Umma, of welke gemeenschap voor jou leidend is in je bestaan. Mensen denken vaak in termen van één identiteit en als ze een beetje overlap zien, vullen ze het onbekende aan met hun eigen identiteit. Ik heb lang bij het Koor Nieuwe Muziek gezongen. Als ik het er wel eens over had dat ik in een koor zong, waren er twee vragen die ik kreeg: “In zo’n koor van ‘Nederland Zingt’?” van iemand die ik via het Christelijk-Sociaal Congres kende; “Bij Noot aan de man?” van iemand die ik bij een borrel van Pink1019 sprak. Identiteiten neigen tot een zeker, over het algemeen goedaardig ‘kolonialisme’.

Wat ik geleerd heb, is dat concrete gemeenschap belangrijk is, en dat die gemeenschap terloops ontstaat, als mensen gezamenlijk een weg gaan en elkaar dragen gaande die weg. Iedere gemeenschap is eindig en niet in zichzelf waardevol buiten de mensen die op een bepaald moment in de tijd een gemeenschap vormen. Met de delen 1 en 2 van deze serie in ons achterhoofd kunnen we nu stellen dat we ‘gezellige maatjes’ zijn die met elkaar in de maatschappij steeds nieuwe gemeenschappen vormen.

Wat zich dan vormt, zijn gemeenschappen met een identiteit die niet om erkenning schreeuwt en niet gevoelig is voor ressentiment – het is wat ik zou willen noemen een zelfgenoegzame identiteit die zonder last en ruggespraak zich manifesteert. Met zelfgenoegzaam bedoel ik geen arrogantie, maar een eerder naïeve, argeloze houding waarmee je je weg gaat; met die houding ben je niet restloos een vertegenwoordiger van een visie, noch restloos afhankelijk van erkenning door anderen. Gemeenschap begint als je zelf ergens voor kunt staan en dat ook volhoudt bij tegenspraak. Gastvrijheid begint met onafhankelijkheid.

Hoe verhoudt zich dit tot waarden als solidariteit en loyaliteit? … Wordt vervolgd dus.

Posted in Column
Tags: , , , , ,