Hans Groen

« | »

gastvrije gemeenschap (1) – heimwee

Wie de columns hier volgt, heeft gemerkt dat ik niet veel op heb met ‘gemeenschap’. Bij gemeenschap zie ik vooral de instantie die het individu verplichtingen oplegt, over het individu heenwalst, in identitaire wij-groepen anderen uitsluit, en met ressentiment de samenleving vergiftigt. Toch zou ik ‘gemeenschap’ als kristallisatie van de ervaren of gevoelde verbondenheid van mensen niet als waardevol willen, noch kunnen, ontkennen.

Belangrijk is in welke richting je kijkt: vanuit het individu naar de gemeenschap, of vanuit de gemeenschap naar het individu. Omdat ‘gemeenschap’ veelal ter sprake komt als het gaat over het ‘individualisme’, het verlies aan gemeenschap, in de maatschappij waarin de discussie gevoerd wordt, gaat het nooit over de weg van individu naar gemeenschap, want dat individu is nou eenmaal de wereld van het individualisme. En dus las ik een keer over stadslandbouw in een wijk met sociale woningbouw – ik meen in Bristol – dat de bewoners die niet met de anderen tuinierden als een probleem werden ervaren, een probleem voor het gemeenschapsvormende van het met elkaar bezig zijn met stadslandbouw rond je flat. Als er een zweem van gemeenschap ontstaat, worden buitenstaanders problematisch. Maar het is natuurlijk raar om te stellen dat iedereen moet participeren in een activiteit die, zelfs op valide sociologische gronden, is bestempeld als ‘gemeenschapsvormend’.

Met het ontwikkelen van de industriële maatschappij waarin massawerkgelegenheid en massahuisvesting gewoon werd, de overheid steeds bureaucratischer werd, en het individu tegelijk de ruimte kreeg en nam om autonomer en losser van tradities op te treden, kwam de vraag op hoe deze ontwikkeling te waarderen. Eind negentiende eeuw beschreef Ferdinand Tönnies dit via de ideaaltypen van Gemeinschaft en Gesellschaft: ‘Gemeinschaft’ gaat over de intieme persoonlijke relaties in bijvoorbeeld een dorp; ‘Gesellschaft’ staat voor de anonieme bureacratische relaties in de Grossstadt. Voor hem ging het hier wel om een ontwikkeling, maar in termen van uitgroeien, niet van vervangen; de ‘Gesellschaft’ wist de ‘Gemeinschaft’ niet uit.

Interessant is het onderscheid dat Henry Summer Maine maakt tussen ‘families, houses, tribes, and the commonwealth’ in zijn Ancient Law (1861). ‘Houses’, analoog aan de Romeinse ‘huizen’, zijn bij hem equivalent met de (Duitse) dorpen die bij Tönnies het emblematische voorbeeld van ‘Gemeinschaft’ zijn. Volgens Albert Borgmann past deze opeenvolging precies op de sociale geleding van de Blackfoot in ‘families, bands, tribes, and the Blackfoot Confederacy.’(1) Een wat wij zouden aanduiden als ‘pre-moderne natie’, verschilt dan niet zo heel veel van onze ‘moderne maatschappij’. Dat zegt iets over ‘Gemeinschaft’ en ‘Gesellschaft’: het zijn geen elkaar uitsluitende of opeenvolgende verbanden, maar ze bestaan naast en door elkaar.

Waar komt dan dat ideaalbeeld van de intieme dorps-relaties vandaan, die gemeenschap die we steeds verloren zien gaan en waar we met heimwee op terugkijken? Ik denk dat Jean-Jacques Rousseau dit een eeuw eerder scherp onderscheidde in zijn Contrat Social. Nou is Rousseau wel controversieel: terug naar de natuur, of een staatsgemeenschap die de individuele wil onderdrukt, je kan het beide in hem lezen. Er is ook de lijn uit het Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes (1755) waar de maatschappij het radicaal verlaten en achterlaten van de natuur betekent. Dat wordt duidelijk in het Contrat Social: de natuurmens is gewoon een stupide en geborneerd wezen. (2) De maatschappelijke ordening komt niet uit de natuur op, zo maakt Rousseau al meteen in Contrat Social duidelijk. Net daarvoor staat die beroemde zin: de mens is vrij geboren, maar overal is hij geketend. Dat hij deze uitspraak meteen vernietigend opzij zet, leest niemand: want, zo vervolgt hij, hoe dat gekomen is, weet hij niet, maar dat het legitiem is, dat gaat hij laten zien. Dat laatste wordt eigenlijk nooit aangehaald, ook bij het lemma over Rousseau op filosofie.nl niet.

Rousseau stelt het gezin, met de vader als ‘staatshoofd’ en de kinderen als ‘bevolking’, als voor-afbeelding van de maatschappij en staat. Het gezin, de enige natuurlijke gemeenschap, valt onherroepelijk uit elkaar zodra de kinderen oud genoeg zijn om eigen baas te zijn – tenzij ze afspreken langer bij elkaar te blijven. En dus, kun je stellen, berusten alle maatschappelijke verbanden voorbij het gezin op onderlinge afspraak, conventie: de staat reproduceert als conventionele band de natuurlijke band van het gezin.

Wat ik dus van Rousseau overneem, is dat alle maatschappelijke verbanden en relaties tussen mensen op conventie berusten en dat er, behalve het gezin, geen andere natuurlijke verbanden bestaan waarin de mens leeft. Zonder te ontkennen dat we ons verplicht kunnen voelen aan een familie, gemeenschap of klasse, of wat voor verband ook, zie ik niet hoe die verbanden mijn morele identiteit a priori en dwingend kunnen, mogen, of moeten bepalen. En dat is wel wat Michael Sandel claimt als hij het liberale zelf dat zonder last en ruggespraak een moreel oordeel velt, kritiseert.

Met de ideaaltypen van Tönnies kwam er een mogelijkheid om onze heimwee naar de geborgenheid en eenheid van het gezin te koesteren. De maatschappij is daardoor altijd ‘verlies’ van intimiteit en moraliteit. Maar in die maatschappij moeten we de kiemen en voorwaarden van een gastvrije gemeenschap zoeken. Gastvrijheid begint als je zonder last en ruggespraak de ander tegemoet kunt treden.

 


(1) Zie Albert Borgmann “Is internet the solution to the problem of community?” in: Feenberg/Barney, Community in the Digital Age (Rowman & Littlefield, 2004), p.53.

(2) Ik volg hierin de prachtige parafrasering en uitleg van Ton Lemaire bij het Vertoog over de ongelijkheid (Ambo, 1980).

Tags:
Onderwerpen: gastvrijheid, gemeenschap, identiteit, maatschappij, ontmoeting, publiek