hans groen


« | »

door het riool gespoeld

De ‘duistere middeleeuwen’ waren veel helderder dan de Verlichting ons wil laten geloven; ook minder vuil. Ik lees dat weer eens in een verhaal in NRC over de tentoonstelling ‘De gezonde stad’ in Utrecht. Middeleeuwse steden bleven schoon door het gebruik van beerputten, waarvan de inhoud later weer als mest op het land terecht kwam. In de negentiende-eeuwse gordel van Amsterdam bijvoorbeeld, vond men die voorziening te duur, vanwege de ruimte die nodig was, en kwam de emmer op het trapportaal en de wekelijkse rondgang van de ‘Boldoot kar’. In de grachtengordel had men al eerder ruimte bespaard door de huizen op de gracht te laten afvoeren – ‘pittoreske geuren’ waren het gevolg.

Het gaat mij om de argumentatie die René de Kam, de samensteller van de tentoonstelling, aangeeft: “Ik denk dat dat verhaal over al die vieze en ongezonde middeleeuwers in de negentiende eeuw bedacht is, omdat ze toen zagen hoe slecht het was, en dachten: dan zal het vroeger wel nóg slechter zijn geweest.” Hij benoemt hier iets van universeler belang dan de vraag of het vuil van de stad slechts in het oog van de negentiende-eeuwers bestond. Voor mij gaat het hier ook om hoe wij met ons beperkte en gekleurde zicht iets kunnen zien en kennen dat voor ieder mens geldt.

Het sjabloon van de ‘donkere middeleeuwen’ weerspiegelt de idee dat de mensheid steeds maar vooruitgaat, in kultuur, wetenschap en menselijkheid. De negentiende eeuw, met de stoommachine, de trein, de opkomst van de industriële productie van goederen voor de massa, was voor de mensen die toen leefden en nadachten over gisteren en morgen de belichaming van ‘vooruitgang’ en rationaliteit. Omdat er massaal woonruimte moest komen voor de arbeiders, werd  de stad werd een vieze en stinkende plek; we wisten zeker dat er ‘Verlichting’, vooruitgang was, toch, dus moest het in eerdere eeuwen wel veel slechter geweest zijn. Quod non!

Wat mij dan treft in het verhaal over de schone middeleeuwse stad, is dat we de drek van onze bril kunnen wissen en de waardevolle zaken gaan zien die ons meer inzicht geven over hoe we aangekomen zijn waar we nu zijn, en hoe we onze weg kunnen vervolgen, want dat is de zin van geschiedenis. We kunnen de sjablonen die we meegekregen hebben en die ons vaak dierbaar zijn omdat we uit de levenshouding leven die die sjablonen hebben vormgegeven, buiten haken zetten. Het geloof in ‘vooruitgang’ hoeft niet beschaamd te worden als we inzien dat we door dat geloof niet zagen dat in eerdere tijden zaken ook al goed, beter zelfs geregeld waren. We zijn ons dan beter bewust geworden van hoe wij het verleden waarnemen, hebben wat dat betreft ‘vooruitgang’ gemaakt.

Als we dan zo de ‘drek van onze bril’ hebben gewist, hebben we dan niet nog steeds een probleem, namelijk dat wij een bril dragen? Zijn er niet in alle lagen van onze waarneming en oordeelsvorming sjablonen ingebakken die we ten laatste niet buiten haken kunnen plaatsen? Dan gaat het om minder onschuldige zaken als de vermeende smerige stad van de middeleeuwen. Dan gaat het om algemene ideeën als de democratie en de vrijheid van het individu. Hoe verhouden die zich tegenover het staatssocialisme van China of ‘ubuntu’ van veel Afrikaanse volkeren? Zijn de collectieve basis patronen waarin wij over onszelf en de wereld nadenken uiteindelijk niet contingent en uitwisselbaar, en verwisselbaar in de tijd? Zijn onze patronen niet volkomen gelijkwaardig, en dus niet ‘beter’,  dan andere?

Op een bepaalde manier hebben we dan Wittgensteins ‘de grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld’ geïnternaliseerd. De grenzen van mijn taal zijn alleen niet de grenzen van de wereld: als een volk in Zambia geen woord voor sneeuw heeft, betekent dat niet dat sneeuw niet bestaat. Als de Inuit 4 woorden voor sneeuw hebben, betekent dat niet dat zij meer gedetailleerd waarnemen, want iedereen kan het verschil tussen die woorden ‘zien’. Als in een cultuur mensen niet over zichzelf in de eerste persoon spreken of denken, betekent dat niet dat individualiteit niet bestaat. En onze ‘paramount reality’ van stinkende en vervuilde steden in de negentiende eeuw, was net zo hard geen aanleiding om te veronderstellen dat het vroeger nog veel erger was.

Er zijn zaken die ons worden aangereikt en die iets blootleggen of verwerkelijken van wat ons als mens beweegt. Dat de middeleeuwse stad schoon was, bijvoorbeeld. Of dat ondanks ubuntu het besef van de oneindige waarde van het individu dat door het Christendom is aangereikt* een stap vooruit is geweest. Dat deze mens nooit een pion is in het gemeenschappelijke leven van zijn of haar naasten, is een diepere waarheid waarin de verbondenheid dat ik altijd mens ben met anderen samen besloten ligt. Die oneindige waarde van het individu is iets dat ons in de gang van onze gemeenschappelijke mensengeschiedenis wordt aangereikt. Uiteindelijk is een idee als ‘ubuntu’ ook niet zo heel veel anders dan het mysterie van de authentieke christelijke gemeenschap: allen die aanwezig zijn, zeggen met elkaar tegelijk “ik geloof”. Daar kan geen ‘wij’ tegenop. Ik schrijf dit ook met het oog op de krachten in Europa die individuele en democratische vrijheden nu als zelfs immoreel terzijde willen schuiven.

Goed kijken en je laten corrigeren door wat je aangereikt wordt, op die manier overwinnen we alle ingebakken, vertrouwde, dierbare, onmisbare sjablonen en zullen we zien wat we als mens delen. Waar een krantestukje over het riool ons niet brengt!

* Zie Hegel, Enzyklopädie parr. 482: “Diese Idee ist durch das Christentum in der Welt gekommen, nach welchem das Individuum als solches einen unendlichen Wert hat …”

Posted in Column
Tags: , ,