hans groen


« | »

vrije wil?

Als ik diep bij mijzelf te rade ga: de vrije wil kan mij gestolen worden, en een biologisch of sociologisch, of andersoortig determinisme ook. Beide kanten zijn voor mij onbevattelijk en in hun consequenties doorgevoerd het einde van mij als verantwoordelijk wezen, als persoon waarop jij een beroep kunt doen.

Een studie waarin het bestaan van de vrije wil wordt ontkend, heeft een prijs gewonnen, zo las ik in de kranten.[*] Voor de één is de vrije wil het kroonjuweel van het menszijn, voor anderen is het een illusie. De bekroonde studie gaat vooral in op het strafrecht, niet geheel verwonderlijk. Als de kern van de mens de vrije wil is, dan wordt het strafrecht onbarmhartig, want jouw daden zijn jou volledig toe te rekenen als besluiten van jouw wil. Hebben we geen vrije wil, maar zijn we het product van maatschappelijke posities en genetische aanleg, dan vervliegt het strafrecht – om andere redenen misschien niet het allerergste, maar er is dan ook geen gelegenheid te zeggen dat iets je spijt, dat jij mij onrecht hebt aangedaan. Wat er gebeurd is, gebeurde nu eenmaal, het ‘stond in de genen’. Maar je moet vind ik kunnen zeggen ‘hoe haal je het in je stomme kop om dit te doen?’ zonder die persoon af te schrijven, en zonder te schromen die persoon ook een beetje te laten lijden voor de pijn die hij of zij heeft aangericht. De misdadiger heeft recht op de straf; maar als alles gedetermineerd is, zijn er geen misdaden. Maar ook geen verdienste, iedereen deed en doet wat hij of zij noodzakelijk moest doen, we kunnen niemand voor diens daden prijzen.

Vrije wil en determinisme zijn eerder siamese tweelingen, misschien wel parasitair-symbiotisch verbonden; de een kan niet zonder de ander bestaan. Elk vurig pleidooi voor de vrije wil kun je ontkrachten met een tegenvoorbeeld van hoe gedetermineerd we zijn, elk determinisme kun je ontkrachten met een tegenvoorbeeld van vrije wil. Er zijn allerlei causale relatie te onderscheiden die er aan bijdroegen dat Adolf Hitler rabiaat antisemitisch werd. In De Weimarrepubliek (2021) schrijft Patrick Dassen: “Hoe Hitlers antisemitisme is ontstaan is eigenlijk nog steeds grotendeels een raadsel” (p. 199). Als we naar de mens in zijn of haar grootsheid en laagheid kijken, kunnen we veel herleiden, verklaren, vergoelijken, maar het éne waarom kunnen we vaak niet vatten. Uiteindelijk ervaren we ook dat mensen ons kunnen verrassen, ten goede en ten kwade. Ons leven is geen ‘domino-day’ waarop elk steentje noodzakelijk omvalt, omdat iemand een eerste steentje heeft omgeduwd. De vrije wil dan als verklaring voor het onverklaarbare?

Op de een of andere manier vind ik het helemaal niet zo interessant om achter het menselijk handelen een vrije wil te veronderstellen, of de gedetermineerdheid van een handeling te zien. Iemand heeft iets gedaan, iets dat prijzenswaardig is, of iets dat strafbaar is. Een strafbare daad zet de boel altijd op scherp: of er gestraft moet worden, en hoe, dat is dan de vraag, en als je van de vrije wil of de gedetermineerdheid van het menselijk gedrag uitgaat, zal er anders over de strafbaarheid worden gesproken. Stel dat mijn partner wordt vermoord door iemand op straat. Vrije wil, de dader koos ervoor om het te doen? Dan is die daad volstrekt zinloos en redeloos contingent, voor mij én voor de dader. Of gevolg van genetische of maatschappelijke bepaaldheid? Dan is de daad voor mij en de dader in al de noodzakelijkheid ook volstrekt zinloos. In beide gevallen wordt ontkent dat iemand iets gedaan heeft.

In On Revolution schrijft Hannah Arendt over hoe Thomas Jefferson in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring zich beroept op “the laws of nature and nature’s God”. Want, zo legt zij uit, de wetten van de natuur hebben geen autoriteit op zichzelf, omdat er geen auteur is die die wetten geschreven heeft (p 185-191). En dan zie ik ook Rousseau’s definitie van vrijheid: gehoorzaamheid aan de wetten die je zelf geschreven hebt. De discussie over vrije wil of determinisme gaat helemaal voorbij aan de vrijheid die je hebt als auteur van je eigen leven.

In ons schrijverschap lossen vrije wil en determinisme op. Iedereen die wel eens iets schrijft, heeft denk ik wel de ervaring gehad dat een artikel of verhaal ‘zichzelf schreef’, of dat je enthousiast begint een argumentatie op te schrijven om gaandeweg te merken dat er iets heel anders op papier is gekomen en dat je dat oorspronkelijke idee ook niet meer kunt vastplakken aan wat je voor je hebt liggen. In jouw auteurschap worden noodzaak en vrije wil opgeheven: je bent geen speelbal van een willetje of een keten van dominostenen, maar jij bent de uiteindelijke autoriteit in jouw leven.

Door de vrije wil te ontkennen, maak je de mens willoos; door de vrije wil als het eigene van de mens te beschouwen, maak je de mens onberekenbaar en onbetrouwbaar. In beide gevallen ben je een verhaalloos wezen en niet de auteur van je leven. Dat ik altijd de auteur ben van mijn eigen verhaal, redt mij uit de klauwen van de siamese tweeling vrije wil en determinisme. Van wat ik gisteren deed, heb ik vandaag spijt, en wat ik vandaag deed, vervult mij met vreugde. Ik heb beide gedaan en ik ben de verbinding tussen beide. Vrije wil of gedetermineerd, het voegt niets toe en ik kan er niet aan ontkomen dat ik dit of dat gedaan heb of niet gedaan. Daarmee moet ik mijn verhaal verder schrijven.

[*] Naar aanleiding van Jurriën Hamer die met Waarom schurken pech hebben en helden geluk de Socrates wisselbeker won. Besprekingen las ik in NRC (28 april 2022) en in Trouw (23 april 2022). Voor de goede orde, ik heb Hamers boek niet gelezen maar zag de berichten slechts aanleiding om mijn eigen gedachten bij de ‘vrije wil – of niet’ wat te ordenen.

Posted in Column
Tags: , ,