Hans Groen

« | »

mateloze vriendschap

Wat de corona-aanpak pijnlijk duidelijk maakt, is dat vriendschap en vriendschappelijkheid uit de samenleving zijn verdwenen. Míjn behoeften zijn belangrijker — ík heb geloofshonger, huidhonger, geen perspectief – en de ánder hindert mij — jíj moet in zelfisolatie, jij gaat toch over een maand dood, jíj hebt gerookt en hebt overgewicht, en waarom heb jij geen Nederlands geleerd? Het wederzijdse van het vriendschappelijke, dat je het goede voor elkaar wilt bewerken en dat als jij het goed hebt ik het ook goed heb, ontbreekt totaal in de discussie.

De mantra was steeds ‘bescherming van ouderen en zwakkeren.’ Geen wonder dat van de weeromstuit gewillige knechten van Darwin opstonden die over ‘dor hout’ begonnen. En met de grondwet in de hand doen we vooral liefst niets – privacy, vrijheid van godsdienst, etc. Niet dat je alles maar voor zoete koek moet slikken, maar hoe meer zaken er absoluut onmogelijk zijn, ook op op zichzelf goede gronden, hoe minder we kunnen bewegen. En hoe meer schade we aan elkaar zullen berokkenen. Mensen hebben het vermogen de bevrediging van hun behoeften uit te stellen. Met elkaar kunnen we de schade die we oplopen ook weer herstellen, in de loop van de tijd. [1] De enigen die letterlijk kunnen doodgaan van huidhonger zijn de zuigelingen die met tientallen op zaal liggen in het weeshuis.

De maatschappij als samenleving is altijd tegelijk ‘naast elkaar’ leven en ‘met elkaar’ leven. Onder het regiem van wat pejoratief en onduidelijk wordt aangegeven met ‘neo-liberalisme’,  zijn we heel erg goed ‘naast elkaar’ gaan leven – wie niet mee kan komen, is een loser. Onder het regiem van het gemeenschapsdenken hebben identitaire ‘wij-groepen’ het ‘met elkaar’ leven benauwend, en soms gewelddadig, vormgegeven. Voor beide hebben menselijke relaties geen eigen waarde: voor de een draaien die om het (economisch) nut voor mijzelf; voor de ander moeten die een historisch-cultureel bepaalde groepsidentiteit bevestigen.[2] Beide werelden zijn vreemd aan elkaar. Als alles draait om het nut voor mij en mijn identitaire groepsbelang, zijn we in de maat-schappij antagonisten geworden, geen ‘maatjes’. En ‘matenloze vriendschap’ bestaat niet.

In 1972 verscheen John Rawls’ A Theory of Justice. Wat hij met zijn theorie beoogde, is nog steeds hoogst actueel. Want, zo zegt hij in het begin, in de politieke theorie hebben we ‘vrijheid’ heel goed uitgewerkt; we hebben ‘gelijkheid’ ook helemaal uitgebeend; nu de broederschap nog! Elkanders lasten dragen was volgens Rawls een kernwaarde in de maatschappij. Ik denk dat je breder moet kijken en die broederschap met het licht van ‘vriendschap’ beschijnen.

Maatschappelijke vriendschap of burgervriendschap is, zoals Henk Woldring stelt, een correctie op het individualisme in de samenleving,[3] Het is echter ook, en even belangrijk, een correctie op te hechte ‘wij-groepen’. De samenleving bloeit als ‘ikken’ en ‘wij-en’ iets voor elkaar, andere ‘ikken’ en ‘wij-en’, bewerken. Dan moet ik altijd denken aan de reclame voor Amstel bier waarin vriendengroepen optreden, met de leus: “voor elkaar.” Ook al is die reclame bedacht door een puur commercieel bureau en gaat gewoon om het verkopen van meer bier, het werkt omdat het een universeel en essentieel gevoel raakt: een groep mensen die geen andere reden heeft om iets met elkaar te doen dat dat ze lol hebben in elkaars aanwezigheid.

Broederschap is maatschappelijke vriendschap. Het perspectief van vriendschap is dat je iets doet voor het welzijn van iedereen en niet specifiek deze persoon of die groep. Vriendschap gaat over de “welwillendheid voor het welzijn van de ander,” zoals Donald Loose zegt. Onder vrienden zijn gevoelens van saamhorigheid en distantie in evenwicht. Met elkaar en naast elkaar dus, want die ander, die vriend, is ook een geheim; we kennen de diepste motieven niet van de ander en daarom zijn we welwillend, veronderstellen we de goede wil van de ander.[4] Vriendschap is de brug tussen ‘naast elkaar’ en ‘met elkaar’; maatschappelijke vriendschap betrekt daarin welwillend ook de ongeziene en ongekende ander.

Vriendschap is de ander uitnemender achten dan jezelf. Niet omdat die ander jouw feilen aanvult of wat jou ontbreekt vervult, maar omdat die ander excelleert in iets wat jij ook hebt. In de groep waarmee je regelmatig gaat fietsen, waardeer je die stille vriend die met een grap en een grol de tiende lekke band plakt, dat gezelligheidsbeest dat altijd een mooie route weet met ‘toevallig’ op het goede moment een ontspannen uitspanning, en die branieschopper die als het nog wat ver tot huis is, de groep op sleeptouw neemt tegen de wind in en door de regen. Wat je in vriendschap deelt, gaat niet in mindering van jouw eigen deel. Je kan dat ‘ubuntu’ noemen, ik denk eerder aan vijf broden en twee vissen die in een oud verhaal duizenden mensen overvloedig te eten gaven.[5] Dat is het geheim van ‘mateloze vriendschap’.


[1] De idee dat ouderen en kwetsbaren maar beter vrijwillig in zelfisolatie zouden moeten gaan, zodat jongeren perspectief houden en de economie draaiend blijft (zoals door Ewald Engelen in De Groene, en recenter Heleen Dupuis is verkondigd), is verbijsterend kortzichtig. Covid-19 zal dan in alle beroepsgroepen huishouden en de economie tot stilstand brengen. Het zal lang duren voordat kwetsbaren en ouderen uit hun isolement kunnen komen. En is dat rechtvaardig: opdat jongeren perspectief hebben, ontnemen we perspectief aan kwetsbaren en ouderen?
[2] Niet voor niets ziet A. Etzioni in de etnische getto’s de meest duidelijke voorbeelden van ‘gemeenschap’ — zie Feenberg et.al. Community in the Digital Age, Rowman&Littlefield, 2004, p. 225.
[3] H.E.S. Woldring: Vriendschap door de eeuwen heen, Ambo, 1994, p.189.
[4] Donald Loose Over vriendschap, Vantilt, 2019, p. 49/50.
[5] 5000 mannen, om precies te zijn. We moeten hier welwillend zijn, want de schrijver heeft waarschijnlijk gedacht: “Laten we het niet te gek maken, als ik de vrouwen en kinderen ook meetel, gelooft helemaal niemand dat er zo’n overvloed was.”

Posted in Column
Tags: , , , , , , , , , ,