Hans Groen

« | »

3 generaties na de ‘verzuiling’

Na 75 jaar, 3 generaties, zijn er bijna geen mensen meer in leven die een gebeurtenis hebben meegemaakt. Er is dan bijna niemand meer die kan vertellen hoe mensen een situatie of een gebeurtenis hebben ervaren en hoe zij zich een houding gaven in die situatie. De analyses en beschrijvingen achteraf, met de discussie daarom heen, gaan het beeld bepalen. In een artikel spreekt de NOS over ‘verzuiling 2.0’, wat voor de hand ligt als het gaat om de filterbubbels waarin veel mensen nu leven, maar omdat niemand meer die verzuiling zelf heeft ervaren, wordt je ook licht op het verkeerde been gezet.

Sinds A. Lijphart in 1967 zijn studie Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek publiceerde, is het canonieke idee van de verzuiling dat een elite van levensbeschouwelijk stromingen een marionettentheater (mijn term) bediende om de vrede in de maatschappij te bewaren. Zij regelden de zaken onderling en het volk danste naar het overeengekomen pijpen van deze elite. Verzuiling is “de periode in de vorige eeuw waarin alle kranten, tijdschriften, tv- en radio-omroepen gelieerd waren aan de politieke opvattingen van hun zuil (zoals katholiek, protestants, liberaal of sociaaldemocratisch),” zo staat het bij de NOS. De verzuiling dus als internetbubbel avant la lettre. Maar is het zo simpel, en wat kunnen we met zo’n simplistisch beeld in de tijd van nu waar iedereen via youtube een eigen journaal kan uitzenden, waar dit artikel op nos.nl over gaat.

Abraham Kuyper, vanaf einde negentiende eeuw de voorman van de Gereformeerden, stond op goede voet met Schaepman, de voorman van de Katholieken. Op zulke goede voet zelfs dat Schaepman geen probleem had om hem te adviseren geen rooms-katholiek dienstmeisje te zoeken, want die waren volgens hem nog stommer dan het achtereind van een koe. Zo gesloten waren die ‘bubbels’ helemaal niet. De vader van mijn moeder was kleermaker ‘op Scheveningen’ en had klanten uit de hele Scheveningse bevolking; en dus, ‘voor wat, gun je wat’, hadden ze bijvoorbeeld drie bakkers aan de deur: een katholieke, hervormde en gereformeerde (en met elf kinderen was dat goede klandizie voor alle drie). Thuis lazen wij jarenlang het Algemeen Handelsblad en tot 1967 het Gereformeerd Gezinsblad van Piet Jongeling – in 1967 splitste de Vrijgemaakte Kerk in een ‘binnen’ en ‘buiten verband’ (die laatste gaan alweer een tijdje onder de naam ‘Nederlands Gereformeerd’). Zo hermetisch was de wand van de zuil niet.

De ‘verzuiling’ leert ons niets over de internetbubbels nu, tenzij je dat fenomeen voor je eigen (bubbel-)visie wilt framen. Met onze bril van beleid en politiek zien we nu vooral de homogeniteit en het dirigisme, ‘top-down’, binnen de zuilen. Het verleden moet compact en eenvoudig zijn zodat wij ons oordeel kunnen vellen, over wat mensen toen deden en over de relevantie van toen voor nu. Ons beeld van de verzuiling is sterk gekleurd door de mislukte ‘Doorbraak’ in het herstelde politieke bestel na de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouwtijd met ‘theemuts en mariakaakjes’, ook een beeld dat ik zelf alleen maar als karikaturaal ervaar. ’T is wel het beeld dat voor velen door ouders en grootouders is geschilderd en er is niemand die dat uit eigen ervaring kan bijstellen of relativeren.[1]

Als je teruggaat naar vóór de Tweede Wereldoorlog, naar de tijd dat al die maatschappelijke organisaties zich vormden, zie je een veelkleurigheid die je doet afvragen of het wel simpel ging om “het bevestigen van het eigen gelijk en het bevechten van de andere groep” zoals in het artikel op nos.nl wordt gesteld. Zo identitair ging het er misschien niet aan toe, men gunde elkaar ook iets. De radiowet van 1930 veroorzaakte dat de NCRV zenduren moest inleveren ten gunste van de VARA, verzette de NCRV zich niet, want waarom aan anderen rechtmatige en evenredige toegang tot een publiek medium ontzeggen die men zelf wel opeist.[2] De ‘verzuiling’ werkte omdat die voor de deelnemers geen ‘zero-sum game’ was: jouw plek gaat niet ten koste van mijn plek.

De ‘verzuiling’ werkte ook omdat deze ordening haar eigen graf groef. Want als iedere zuil een eigen vakbond, school, krant, voetbalclub heeft, heb je allemaal een vakbond, een school, een krant, een voetbalclub. Naast elkaar ben je gewoon met hetzelfde bezig. De ‘zuilen’ waren de ‘schering’ en de scholen, vakbonden, kranten, etc., de ‘inslag’ van het weefsel van de maatschappij. Voor de ‘verzuiling’ had religie mijns inziens ook maar een relatieve rol, onder het algemene doel van een betere Nederlandse maatschappij op te bouwen. Misschien was de religie ook niet het doel, maar het medium om het ‘voor elkaar’, voor de eigen groep zeker, maar nadrukkelijk ook voor het hele volk, in de maatschappij te bevorderen. Zo kon Schaepman zelfs de ‘soevereiniteit in eigen kring’, het kroonjuweel van Kuyper, als uitgesproken katholiek principe opvoeren.[3]

Die welwillende animositeit zie ik niet gauw terugkeren en daarom is refereren aan ‘verzuiling’ niet erg verhelderend. De verzuiling bestond in verticale en horizontale verbindingen in de maatschappij. Die configuratie is onmogelijk geworden nu er zo vele identitaire bubbels zijn opgekomen. Identiteiten zijn onverzoenlijk, identitaire groepen zien de aanwezigheid van de ander altijd als inleveren van de eigen positie. We moeten daarom niet met onze identitaire bril van nu naar de verzuiling van toen kijken. De identitaire en religieuze ‘bubbels’ die we nu zien, hebben totaal niets te maken met verzuiling omdat zij niet alleen die horizontale verbindingen niet leggen, maar zich daar ook tegen verzetten, zoals Elma Drayer in het artikel op nos.nl in andere woorden aangeeft. Hen past het verwijt dat enkele decennia geleden de organisaties gold die tegen beter weten in aan de zin- en betekenisloos geworden ‘verzuiling’ bleven vasthouden: het zijn getto’s van het eigen gelijk.

 

Algemeen: helaas kan ik op dit moment twee verwijzingen niet geven: die over A. Kuyper die Schaepman om advies vraagt over een katholiek dienstmeisje, een gegeven dat ik zelfs nog een keer ergens gebruikt heb, en kritiek van ‘getto’s van het eigen gelijk’. Die kritiek heb ik wel herhaaldelijk horen uiten, ondermeer op het Christelijk-Sociaal Congres 2000 dat als titel had Getto’s en pleinen.

[1] Eigen ervaring kan overigens heel ver dragen. Toen ik in 1985 in Toronto studeerde, was er een student uit Engeland die vertelde dat hij zijn grootmoeder verhalen heeft horen vertellen over de soldaten die naar huis kwamen na de Slag bij Waterloo. Met slechts twee generaties kun je zo’n brug slaan.

[2] Zie J.L. Hiemstra, Worldviews on the Air. Lanham, 1977, p. 22.

[3] H.J.A.M. Schaepman, Een katholieke partij. Utrecht 1883, p. 49. Zie ook J.F. Groen, Identiteit als Belofte, Boekencentrum 1998, p. 36/7.

Posted in Column
Tags: , , ,