Hans Groen

« | »

voorspraak als democratisch principe

Het proces van politieke wilsvorming is vastgelopen. Het ‘catch-all’protest van de gele hesjes, het versplinterde politieke landschap, het zijn tekenen dat mensen zich te weinig gebonden voelen aan de uitkomst van het politieke proces. Op elk moment mag ik het anders willen en daarvoor de straat op gaan. Het mandaat van politici is uiterst smal geworden. Ieders belang of grief komt ongefilterd en onbemiddeld op het bord van de landelijke politiek.

De commissie Remkes heeft zojuist haar rapport Lage drempels, hoge dijken aangeboden met zinnige aanbevelingen. In de kranten staan analyses die hout snijden (Caroline de Gruyter in NRC, Hans Goslinga in Trouw). Die voorstellen gaan vooral over het uitbreiden van het repertoire van instrumenten waarmee burgers hun stemmen kunnen laten horen. Wat ik mis, is een besef dat er een relatief grote groep mensen is die zich nu niet verbonden voelt en die ook met dit nieuwe repertoire zich niet verbonden zal voelen. Veel ideeën voor democratische vernieuwing gaan uit van een sterke, ostentatieve drang bij álle burgers om politiek te participeren. Die is er niet, en dat is ook niet heel erg. Er zijn mensen die gewoon lekker in de volkstuin zitten, of op zolder met treintjes spelen, en als jij met vakantie bent op de kat en het aquarium passen.

Deze groep is maar los verbonden met politieke en maatschappelijke organisaties en zal denk ik ook niet door allerlei (goede) ideeën rond vernieuwing van politieke representatie en participatie worden geactiveerd. Mijn hypothese is dat deze groep voorheen werd bediend door de voorspraak binnen de ‘zuilen’. De ‘verzuiling’ in Nederland wordt over het algemeen geschetst als een marionettentheater van de elites die met elkaar het land regeerden en hun respectieve zuilen naar hun pijpen lieten dansen. Dat is denk ik eerder een beeld dat door een ontzuilde bureaucratische beheersdrang aan het verleden is opgelegd. De verbondenheid die met de zuilen gegeven was, wordt steeds onderbelicht. Protestanten of arbeiders, etc., werden via de verenigingen en maatschappelijke organisaties verbonden met andere protestanten en arbeiders die hoger of lager in het maatschappelijke gebouw stonden. Die verbondenheid werd je ook aangereikt. Ook al was je zelf niet erg betrokken en participatief, op bepaalde momenten – school, huisvesting, ziekte, zorg voor ouderen – waren er organisaties die via kerk of vakbond vertrouwd waren en iets voor jou konden regelen.

Maatschappelijke organisaties zijn als het goed is een buffer tussen mijn belang en mijn nood enerzijds, en het overheidsbeleid dat voor een allen en een ieder geldt anderzijds. Het zijn organisaties die verknoopt zijn met jouw leefwereld en die je kunnen laten delen in de overwegingen voor bepaald overheidsbeleid. Die bemiddeling door organisaties is tot stilstand gekomen, ieder moet voor zijn of haar eigen belangetje opkomen. De overheid zit nu meteen aan de keukentafel, in plaats van de woningbouwvereniging, of de kruisvereniging, of een andere nu verstatelijkte club.

Nu komen er voor zorg en wonen, om even bij die voorbeelden te blijven, allerlei nieuwe initiatieven op van burgers die met elkaar iets regelen. De grote opgave is dat die initiatieven ‘aanhaakbaar’ zijn: dat ze meer zijn dan alleen belangenbehartiging, en dat ze ook kijken naar de belangen en behoeften van hen die niet in de kring participeren. Politieke vernieuwing begint bij de huiskamergesprekken die aanleiding zijn tot voorspraak bij de overheid.

Tags: