Hans Groen

« | »

verondersteld ondernemerschap

Even iets anders: wat doen we met de zzp-ers? Er is eindelijk een doorbraak dat er toch (weer) een inkomensvangnet komt voor zelfstandigen, maar van harte gaat dat niet. Minister Wiebes heeft op 15 maart gezegd dat er geen steun hoeft te komen voor door het coronavirus getroffen zzp-ers omdat zij een groep zijn die zelf heeft gezegd dat zij geen vast dienstverband hoeven. Wiebes hangt het dogma van het verondersteld ondernemerschap aan.

Vanaf 1993 heb ik als éénmanszaak gewerkt op het gebied van communicatie, organisatie en onderzoek. Ergens rond 2000 begreep ik dat ik een ‘zelfstandige zonder personeel’ was. Een rare term, want dan waren de huisarts en tandarts die ik als kind had ook zzp-er, want die hadden geen assistenten. Hen ‘zzp-er’ noemen, klopt intuïtief niet; zij oefenen zelfstandig een beroep uit en zijn geen gemankeerde bedrijfjes.

Voor de werkgevers-organisaties zijn zzp-ers frisse, vrolijke ondernemers; voor de vakbonden zijn het precaire werknemers die ook nog eens allerlei belastingvoordelen hebben die ‘echte’ werknemers moeten ontberen. Geen van beide frames klopt, en dat maakt de discussie moeilijk. Kijk maar naar de discussie rond een arbeidsongeschiktheids-verzekering.

Toen ik begon was er een algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering voor mensen die niet in loondienst waren. Die keerde na een jaar een bijstandsuitkering uit. Je kon dan een verzekering afsluiten die het eerste jaar een uitkering van bijstand + x euro (okay, gulden) gaf om dat jaar te overbruggen, en daarna jaarlijks x euro als aanvulling op je bijstand. Het bedrag x kon je bepalen aan de hand van de inkomsten uit je bedrijf. Die voorziening is afgeschaft, omdat zelfstandigen geen collectieve regelingen wilden. Zal best waar geweest zijn, maar volgens mij was dat gewoon het dogma van het ‘veronderstelde ondernemerschap’ dat in de loop van de jaren ’80 vaste voet aan de grond had gekregen. Dat frame van ‘verondersteld ondernemerschap’ is sterker dan dat van de gemankeerde arbeider; het appelleert aan de idee dat ook de werknemer zich als ondernemer moet zien – hij moet steeds zijn kwalificaties op peil houden door ‘leven lang leren’, en als ‘intrapreneur’ nieuwe mogelijkheden vinden of (liefst) creëren.

De frames van ‘ondernemer’ of ‘werknemer’ miskennen echter de realiteit van de wereld van de arbeid waar een grotere flexibele inzetbaarheid van vakmanschap nodig en mogelijk is (zie ook ”the ruminant economy 2 – non standard employment”. Mensen hebben vaardigheden waarmee ze een inkomen (voor henzelf en hun gezin) kunnen verwerven, en dat willen ze maar al te graag. Maar het zijn geen ondernemers die een bedrijf stichten om over x jaren y-keer zo groot te zijn, de boel verkopen en dan gaan genieten. Het zijn geen werknemers die wachten op wat ‘de baas’ voor werk heeft. Het zijn geen individualistische profiteurs die collectieve regelingen willen ontduiken, want met de komst van de zzp-er is ook het ‘broodfonds’ ontstaan. Mensen willen met elkaar voor elkaar kunnen zorgen in tijden van tegenslag. Het zijn geen profiteurs die douceurtjes van de belastingdienst krijgen. De winstvrijstelling is omdat er ook kosten verbonden zijn aan het zelfstandigen-bestaan die niet ten laste van de winst kunnen komen. De idee zal wel geweest zijn dat er ruimte is om bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten, maar praktisch gebeurt dat te weinig, want dat is te duur en vaak zinloos. Ik vermoed dat de winstvrijstelling door opdrachtgevers, veelal werkgevers, is benut om lagere tarieven te bedingen. En van overheidswege worden ook nog anti-kartelregelingen op deze groep van toepassing geacht die vooral voor de ontsporingen van het grootkapitaal moesten worden ingevoerd.

De man die onze badkamer verbouwde, vertelde dat een arbeidsongeschiktheidsverzekering pas na 2 maanden uitbetaalt en dat een gebroken arm ongeveer 6 weken duurt. Niet zo onredelijk dat je dan die verzekering niet afsluit en zelf een buffer opbouwt – als je dat lukt omdat je in de jacht op opdrachten tot de bodem moet gaan, en bovendien een lager tarief ‘moet’ rekenen omdat je dat belastingvoordeel hebt …

Erken dat de economie voor een significant gedeelte drijft op de flexibele schil die noch ondernemer, noch werknemer is, en maak het mogelijk dat die groep onderlinge solidariteit kan vormgeven buiten het discours van werknemers en werkgevers om. Hou dus op met te spreken over verondersteld ondernemerschap en voordeeltjes die werknemers niet hebben en ‘eigen keuze’. Dat is cynisch en kortzichtig tegenover een groep vakmensen die door werkgevers en vakbonden uitgestoten is en die geen eigen collectiviteit mag of kan ontwikkelen. Na 200 jaar afwezigheid  passen vormen als gilde en veem die vroeger werk en hand-en-spandiensten voor vakmensen en arbeiders regelden, misschien weer beter in het economisch bestel. De sociale dialoog heeft er een partner bij met een eigen positie die niet tot werkgeverschap, ondernemerschap, of werknemerschap is te herleiden; zorg dat die kan aanschuiven.

Tags:
Onderwerpen: expulsions, labour unions, maatschappij, ondernemerschap, poldermodel, ruminant economy, social dialogue, zzper