hansgroen.com

gevaar

De achterkant van de straat

De openbare ruimte is gevaarlijk, vooral ‘s nachts. Vanouds werden ‘s avonds de poorten gesloten en liep in het holst van de nacht alleen de nachtwaker op straat. De in sommige culturen traditionele gastvrijheid berust er op dat je mensen ‘s avonds niet aan hun lot, dat is de rover, overlaat. Buiten de steden, op het land en in de omringende natuur, was iedereen vogelvrij.

Het gevaar in de openbare ruimte ontstaat paradoxaler wijs met een zeker niveau van civilisatie. Het gevaar op straat ontstaat op het moment dat mensen een transporteerbare rijkdom verwerven en zich gaan verplaatsen, buiten de noodzaak die door het natuurlijke dagritme wordt gedicteerd. Handel veroorzaakt diefstal. Voor lang was vooral landbezit bedreigd bezit. Degenen die land bezat, moest zich verdedigen tegen anderen die op zijn bezit uit waren. Wilde je een stuk land hebben, dan ging je er met een legertje op uit om de burcht van je buurman in te nemen. Een soldaat is een ouderwetse, ongeciviliseerde zakkenroller.

Transporteerbaar bezit, handelswaar of geld, is een makkelijker prooi dan land. Handelskaravanen en schepen zijn altijd bedreigd geweest bij hun tochten door het land of over het water. Met dat handel steeds belangrijker werd in het economisch leven, daarmee verplaatste het gevaar zich van het wijde land naar de nauwe straatjes van de stad. In de steden concentreert zich de handel en ontstaat een plek waar je alleen nog maar hoeft te wachten op de handelswaar of het geld dat verdiend is. De koopman die net goede zaken heeft gedaan, is een uitgelezen slachtoffer als hij ‘s avonds uit de kroeg loopt waar hij zijn transactie beklonken heeft.
In de middeleeuwen is de openbare ruimte vooral het domein van handelslieden, het werkvolk en dieven. De openbare ruimte van de stad was utiliteitsruimte, waarbij het gevaar ‘s avonds op de koop toegenomen wordt; dan zorgde je gewoon dat je binnen bent. De stedelijke overheid lette dan wel op en liet nachtwakers rondlopen. De adel en de geestelijkheid lieten zich niet in met de publieke ruimte. De adel verplaatste zich per koets en keek vanachter de ramen naar het gepeupel. Soms gaven ze misschien een feest voor de mensen, maar men mengde zich niet in het dagelijks leven. De geestelijkheid hoorde het volk aan vanachter het scherm in het biechthokje, deelde de genade uit vanachter het koorhek en deelde zichzelf dan symbolisch de wijn toe voor heel het ‘volk’.

Later, met de industriële revolutie en de opkomst van de loonarbeider, verschijnen er andere personen in de publieke ruimte: werkloze arbeiders en arbeiders die even niets te doen hebben. De openbare ruimte wordt een ruimte waar je verkiest te verblijven, niet omdat je er iets móet doen, maar omdat je verder niets te doen hebt op dat moment. Voor die laatste mensen worden in de negentiende eeuw de parken aangelegd: ter verpozing. De flaneur en de toerist doen hun intrede. Wat blijft is het gevaar van de rover: als de handel meer en meer geïnstitutionaliseerd en geregeld wordt, en er meer en meer publieke ordediensten optreden, komt de toerist in beeld: die heeft nog wel een goed gevulde zak en is een makkelijke prooi. Zakkenrollers zijn moderne, geciviliseerde soldaat.