hansgroen.com

anonimiteit en ontmoeting

Toevallige ontmoeting, vooraf aan een openlucht concert op de Uitmarkt, Amsterdam

Als een stad voldoende groot is, is er geen persoonlijke kennis van alles in die stad. In een ‘provinciestad’ ken je ook niet iedereen persoonlijk, maar het weefsel is voldoende dicht om nog te kunnen vragen ‘van wie ben je er een?’ waarna je iemand meteen kan plaatsen. In de stad gaat dit niet meer op. Op straat ben je elkaars voorbijganger. Dat noemen we vaak anoniem. Je kan het ook anders bekijken: in de stad ben je pas echt mens voor elkaar. Je ontmoet elkaar niet binnen de voorgegeven structuren van traditie of afkomst, maar staat maatschappelijk onbeschreven, open, tegenover de ander. Je bent niet vooraf al gedefinieerd als een representant van een groep. In je anonimiteit ben je ook het grootste raadsel, geheim voor de ander. Je bent intrigerend aanwezig: wie gaat er achter jouw verschijning schuil, wie ben jij eigenlijk. Die vraag is de vraag van het menselijke stadsleven. Kurt Tucholsky heeft dat haarscherp neergezet in Augen in die Grossstadt.

De stad staat zo voor de paradox van anonimiteit en ontmoeting. In de stad ben je vrij van de begrenzing en bekrompenheid van het dorp of de provinciestad. Wie je bent is verborgen achter een sluier van anoninmiteit. De stad is bevolkt met mensen zoals jij, allemaal anonieme voorbijgangers en daardoor intrigerend. De anonimiteit nodigt uit tot ontmoeting: wie is dat die mij voorbij loopt? En vervolgens kan je het daarbij laten. Daadwerkelijke ontmoeting is niet verplicht, de allereerste verplichting is puur het openstaan voor de mogelijke ontmoeting. Of, wat op hetzelfde neerkomt, het kunnen genieten van de aanwezigheid van mensen om je heen.

De stad is ruimte voor menselijke potentie en kwaliteit; hier kan je het proberen, hier kan je het maken. De stad is de plek voor de ontmoeting tussen anonieme mensen.

Augen in die Grossstadt

Wenn du zur Arbeit gehst
am frühen Morgen,
wenn du am Bahnhof stehst
mit deinen Sorgen:
Dann zeigt die Stadt
dir asphaltglatt
im Menschentrichter
Millionen Gesichter

Zwei fremde Augen, ein kurzer Blick,
die Braue, Pupillen, die Lider …
Was war das? Vielleicht dein Lebensglück…
vorbei, verweht, nie wieder

(…)

Kurt Tucholsky