hans groen


« | »

spleen om te koesteren

‘Spleen’, als je het woord voor het eerst leest, weet je meteen wat het betekent, want je denkt: “wat betekent dit nu?” Dat is het onbestemde gevoel dat ‘spleen’ benoemt: je hunkert naar betekenis en hebt onbehagen met wat je niet vindt en niet kunt benoemen. Charles Baudelaire heeft het ooit aan ons gegeven in zijn Les Fleurs du mal, en het wordt wel als het romantische gevoel bij uitstek ervaren.

Het ongrijpbare en onbestemde kan alleen via de poëzie worden benaderd. Wat mij betreft is er poëzie die onze ervaringen mooi onder woorden brengt, mooier dan proza, en er is poëzie die het onzegbare onder woorden brengt, waartoe proza niet in staat is. Spleen is de ultieme onzegbaarheid, en dat kan je in een lang verhaal misschien oproepen, maar al gauw heb je allerlei neologismen nodig (wat de tekst dan onleesbaar maakt en onvertaalbaar, zie bijvoorbeeld de verwoorders van het filosofische spleen in de cultuurfilosofie zoals Martin Heidegger en Peter Sloterdijk, of velen uit de structuralistische school).

Spleen is hèt romantische gevoel – in de poëzie kun je dat gevoel omschrijven en tegelijk oproepen, lees maar in deze acht woorden:

De uitvinding van de romantiek

De zon gaat onder,
Ik voel mij bijzonder.

(Rudi ter Haar)

Ik vond dit in een bloemlezing van Vic van de Reijt, Ik wou dat ik twee hondjes was (Amsterdam, 1994). Die titel verwijst naar een gedichtje van Godfried Bomans waarin hij zijn spleen verwoordt als hij zich onnoemelijk verveeld: “Ik wou dat ik twee hondjes was, dan kon ik samen spelen.” Wat mij betreft gaat de diepste spleen over het bestaan als zodanig en niet zozeer over de verveling van het moment.

Een gevoel van nietigheid hoort bij spleen, vooral als de ervaring van nietigheid omgekeerd evenredig is aan onze inbeelding van grootsheid:

Heelal

Hoe verder men keek,
hoe groter het leek.

(Jules Deelder, ook uit de bundel van Vic van de Reijt)

Hier kun je heel lang over nadenken, zonder dat je het anders onder woorden kunt brengen dan dat Jules Deelder het deed. Het ongelofelijk wonder van taal is, dat je steeds nieuwe inzichten en ervaringen met anderen kunt delen, ongeacht iemands expertise. Als iemand het heeft over het ‘uitdijend heelal’, hoef je alleen Jules Deelder te onthouden om te weten hoe het zit.

Heel anders gaat het bij Kurt Tocholsky’s ‘Danach’. In dit lied wordt het spleen achter het ‘happy end’ in de romantische film gefileerd.

Danach

Es wird nach einem happy end
im Film jewöhnlich abjeblendt.
Man sieht bloß noch in ihre Lippen
den Helden seinen Schnurrbart stippen —
da hat sie nu den Schentelmen.
Na, un denn –?

Denn jehn die Beeden brav ins Bett.
Na ja … diss is ja auch janz nett.
A manchmal möcht man doch jern wissn:
Wat tun se, wenn se sich nich kissn?
Die könn ja doch nich immer penn …!
Na, un denn –?

Denn säuselt im Kamin der Wind.
Denn kricht det junge Paar ‘n Kind.
Denn kocht sie Milch. Die Milch looft üba.
Denn macht er Krach. Denn weent sie drüba.
Denn wolln sich Beede jänzlich trenn …
Na, un denn –?

Denn is det Kind nich uffn Damm.
Denn bleihm die Beeden doch zesamm.
Denn quäln se sich noch manche Jahre.
Er will noch wat mit blonde Haare:
vorn dof und hinten minorenn …
Na, un denn –?

Denn sind se alt. Der Sohn haut ab.
Der Olle macht nu ooch bald schlapp.
Vajessen Kuß und Schnurrbartzeit —
Ach, Menschenskind, wie liecht det weit!
Wie der noch scharf uff Muttern war,
det is schon beinah nich mehr wahr!

Der olle Mann denkt so zurück:
Wat hat er nu von seinen Jlück?
Die Ehe war zum jrößten Teile
vabrühte Milch un Langeweile.
Und darum wird beim happy end
im Film jewöhnlich abjeblendt.

(Kurt Tucholsky, Zwischen gestern und morgen)

Overgekookte melk en verveling, dat is wat de held en zijn vangst uit de film ten deel zal vallen. Het spleen van òns, het bioscooppubliek, is dat we dit spleen wel aanvoelen, als de aftiteling draait, maar nooit zullen zien. Tucholsky beschrijft een tweelaags spleen die ons met dubbele weemoed en verlangen vervult. In het echte leven hebben we ieder onze eigen spleen, soms ook in het huwelijk, en daarbij komt dan de fictieve spleen die in de film niet getoond wordt.

Uiteindelijk is de taal zelf de grootste spleen die wij hebben. Soms zijn we gefrustreerd omdat de woorden ons ontbreken om ons uit te drukken. Maar wat gebeurt er als de woorden breken en het spleen van de taal zelf blootleggen. Daan Zonderland was daar een meester in.

Het is tijd om heen te gaan,
Tijd, ondanks de klokken,
Tijd, ofschoon de kunstenaars
Nog naar Arti sjokken.

Alles gaat voorbij mijn lief,
Niets blijft bij het oude.
Zelfs de liedjes die ik zing,
Zijn je reinste claude.

Fram is boos en schrijft niet meer,
Abri koos een ander
En die hebben liefgehad
Schreien om elkander.

Schreien, schoon de zomerbries
Door de blaren ritselt,
Want de Duitse bief is stuk
En de Weense schnitzelt.

(Daan Zonderland, uit De kok van Marienbad)

Hier is de taal zelf die hunkert naar het onzegbare en de afgrond opent van het ongedefinieerde. Dit spleen is volstrekt onvertaalbaar, maar niet ‘nietszeggend’. Het is het wonder van taal: we kunnen met iedereen communiceren, we kunnen in ieder een zielsverwant vinden, welke taal we ook spreken. En er zijn dingen die we alleen met één taal kunnen doen en zeggen – hoewel, als over een paar eeuwen Arti et Amicitiae niet meer bestaat, wordt de spleen van dit gedicht een beetje kleiner.

Als echte spleen over het bestaan gaat, dan is deze spleen van Kees Stip wat mij betreft tot op het hart raak:

Op een eendagsvlieg

‘Ach,’ sprak een eendagsvlieg te Doorn,
‘hoe heerlijk is het ochtendgloren
en hoe verrukkelijk het uur
waarop het laaiend zonnevuur
verstild ter kimme wordt gedreven!
Men moest twee dagen kunnen leven.’

(Mensen wat ‘n beesten. Amsterdam, 1982)

Lees, herlees, en ween en lach om dit korte moment van inzicht.

Posted in Column
Tags: ,