hansgroen.com

« | »

span god niet voor europees karretje

In de vroege zomer van 2003 zal de Europese Conventie onder voorzitterschap van Giscard d’Estaing haar conclusies aanbieden aan ‘Brussel’. De Conventie is ingesteld om een grondwet voor de Europese Gemeenschap te schrijven. Die grondwet is nodig omdat de Europese integratie steeds verder voortschrijdt en omdat in 2004 de Unie met 10 nieuwe leden wordt uitgebreid. Daartoe moet de politieke structuur van de Europese Unie worden herzien om een voor alle lidstaten werkbare Unie te houden.

Wat moet er in die grondwet komen te staan? Voor de hand liggende zaken als vrijheid van meningsuiting, vereniging en godsdienst, politieke participatierechten, sociale zekerheid, etc. Maar het belang van een grondwet is dat daarin ook wordt neergelegd wat de identiteit is van de natie of het verband van naties dat de Europese Unie is. In de grondwet kan je lezen wat echt belangrijk is voor hen die zich op die constitutie beroepen. Voor een cultureel, politiek en religieus pluriform gebied als de Europese Unie is het formuleren van een grondwet, een gemeenschappelijke identiteit, geen sinecure.

Op 22 november 2002 heeft het Zentralkomitee der Deutschen Katholiken, de lekenbeweging in Duitsland, verklaard dat die toekomstige grondwet expliciet de relatie met God moet leggen in een préambule. Ik citeer in eigen vertaling: “De formulering van de relatie met het transcendente in de Europese Grondwet zou kunnen worden afgeleid uit de préambule van de Poolse grondwet uit 1997. Daarin worden ‘alle staatsburgers van de republiek’ aangesproken, ‘zowel zij die in God als bron van waarheid, gerechtigheid, het goede en het schone geloven, als hen die dit geloof niet delen, maar deze universele waarden uit andere bronnen afleiden.’ Zij hebben zich tezamen ‘bewust van hun verantwoordelijkheid voor God en voor het eigen geweten’ aan die grondwet van de Poolse Republiek onderworpen.”

De verantwoordelijkheid tegenover God in een préambule van de grondwet voor Europa. Met zo’n verwijzing naar een transcendentie wordt het voorlopige en feilbare van alle menselijk handelen, het politieke incluis, uitgedrukt. Ook het politieke handelen staat onder een hogere wetgever. Dat is een waardevol inzicht voor elk menselijke ordenen van het samenleven dat in onze politieke traditie aanwezig is. John Locke bijvoorbeeld, de vader van het liberalisme, was al van mening dat alleen het beroep op een God in de hemel de mensen ertoe zou brengen de natuurstaat te verlaten en zich aan de wetten van een samenleving te onderwerpen.

Mooier nog is deze idee door de ‘Founding Fathers’ in de Onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten van Amerika verwoord. Thomas Jefferson beroept zich op “de wetten van de natuur en van de God van de natuur.” De wetten van de natuur zijn blinde, onpersoonlijke machten die eenzijdig dwingen en de mensen niet overtuigen noch het geweten binden. Om te overtuigen is een schrijver, een auteur, noodzakelijk: de God van de natuur. Hannah Arendt, die in On Revolution dit naar voren brengt, ziet hierin vooral de politieke wijsheid van de Founding Fathers aan het werk, niet hun religieuze overtuiging. En, zoals ze zelf al zegt, het is huiveringwekkend om meegemaakt te hebben wat er gebeurt als mensen die transcendentie ontkennen. Wat John Adams geschreven heeft, blijkt dan ineens heel profetisch: “Is het mogelijk dat de regering van naties in handen zal vallen van mensen die het meest verontrustende van alle geloven leren, namelijk dat mensen slechts vuurvliegjes zijn en dat dit alles zonder een vader is?”

Toen Duitsland na 1945 uit de nachtmerrie ontwaakte waarin mensen inderdaad tot vliegjes waren gereduceerd die je met een spuitbus uitroeit, heeft men gedacht dat alleen door een expliciete referentie aan God in de grondwet deze barbarij kon voorkomen. “Im Bewußtsein seiner Verantwortung vor Gott und den Menschen,” zo begint de préambule van de Duitse grondwet uit 1949.

‘Founding Fathers’ van de Europese Unie besloten dat er een Europese ordening moest komen om te voorkomen dat Europa ooit nog het massagraf zou worden dat het in twee oorlogen was geweest. Dat heeft ‘Europa’ in ieder geval tot nu wel gepresteerd. De idiotie van de Balkan even daargelaten, zijn de rituele oorlogen met Frankrijk, Duitsland en Engeland als partijen beëindigd en sinds mensenheugenis is er niet zo lang geen veldslag op het Europese continent geweest. De inspiratie tot de Europese Gemeenschap was een duidelijk christelijke. Maar is een referentie aan God in de Europese Grondwet dan een uitdrukking van een religieuze overtuiging, of ook weer politieke wijsheid?

Als een uitdrukking van religieuze overtuiging moeten we voorizchtig zijn met religie. Religie is in cultuur gestold geloof en daarmee niet erg bevoorderlijk voor een open maatschappij. Religie is voor goed en kwaad geld te koop en kan zich aan zovele menselijke zaken binden waar het hart van de mens naar uitgaat. De conflicten die onze tegenwoordige horizon verduisteren, zijn religieuze conflicten. De verwoesting van het WTC in New York was de verwoesting van een altaar van het kapitalisme, de religie die zijn duizenden verslaat en die ook mede de aantrekkingskracht van Europa is. Maar wie de beelden daarna zag van al de verschillende mensen die in New York samenleven en met ontzetting deze verwoesting aanschouwden, weet dat het ook een aanval was op het Jerusalem van Psalm 87 en 122: een aanval op de plaats waar God open hof houdt en waar iedereen binnen mag komen.

Religie heeft ook weer niet zo’n best verleden als het om staatkundig-politieke zaken gaat, zoals de godsdienstoorlogen uit de 17de eeuw hebben laten zien. Religies verdragen elkaar niet goed binnen de grenzen van één land. Het was grote politieke wijsheid dat Europa in 1648 met de Vrede van Münster werd opgedeeld in religieus homogene naties. De vrede tussen protestantisme en katholicisme kwam tot stand door een territoriale scheiding.

In een tijd dat religieuze ideeën diffuser worden en pluralistischer, moeten we voorzichtig zijn — wie voelen of zijn verantwoordelijk tegenover god, en welke god wordt dan aangeroepen. Als we dat gaan preciseren, worden we misschien wel weer 4 eeuwen teruggeworpen. Is de god waarin volgens het laatste Europees Waarden Onderzoek nog steeds 70% van de Europeanen gelooft, niet eerder een verwijzing naar een god zoals Jefferson’s ‘god van de natuur’: god als sluitsteen om het menselijk bouwwerk voor instorten te behoeden. God als extrapolatie van wat de mens niet ten einde toe kan redeneren, een god van beneden, en niet de God van het geloof die dwars tegen de machten van staat, maatschappij en religie in een andere weg wijst.

Te licht gooien we de Naam te grabbel en zetten hem in voor ons eigen belang. ‘God’ is geen neutrale macht. God is in de eerste plaats iemand in het vertoog van het geloof, en niet in het staatkundig-politiek vertoog. In het geloof is God de Naam, Hij die zegt ‘Ik Ben’, of zoals mijn vroegere predikant dat formuleerde: “Ik ben me er eentje.” Die god-van-boven laat zich niet voor ons staatkundig of grondwettelijk karretje spannen en kunnen we hem ook niet uit politieke wijsheid opnemen in de grondwet.

‘Europa’ is een experiment zonder voorgangers in de geschiedenis. Misschien de grootste uitdaging nu is te komen tot een grondwet die zich rekenschap geeft van de waarden die aan de Europese maatschappij ten grondslag liggen, zonder de maatschappij uit te leveren aan een religie — zij het die van de markt, zij het die van een god. Bezieling en transcendentie zonder religie. Kunnen we onze menselijke afhankelijkheid en onzelfgenoegzaamheid zo formuleren dat het religies overstijgt en dat ieder in Europa met ons en naast ons kan wonen? Laten we eerst eens kijken of het kan, voordat we hogere machten inroepen om ons werk af te maken.

[Oorspronkelijk in Centraal Weekblad, 31 januari 2003

Tags: