hansgroen.com

« | »

ontmoeting en publieke ruimte

Benjamin Barber, de man van “Als burgemeesters de wereld regeerden” was in Amsterdam. De 14de dag van de Interdependence Movement, waarvan hij grondlegger is, werd afgelopen weekend in Amsterdam gehouden. De beweging ontstond na 9/11 uit de overtuiging dat de ‘war on terror’ niet het enige antwoord mocht zijn. Vrede begint in de stad, kan je zeggen — bijbels haast, want het verhaal van de bijbel begint in een tuin en eindigt in een stad.

Ondertussen is die stad wel overgenomen door onze eigentijdse heilige koe, de auto. Daar ging het onder meer over in de eerste sessie over publieke ruimte. De stedelijke ruimte wordt te vaak gedomineerd door de auto. Een wijk met vrijstaande huizen lijkt tegenwoordig vooral voor auto’s gebouwd — vanaf de weg zie je garagedeuren, pas in tweede instantie ontdek je waar je als mens op ontvangst kan rekenen.
De stedelijke straten zijn natuurlijk nog meer het domein van de auto. Er is wel sprake van een onrechtvaardig monopolie, want zo tussen negen uur in de ochtend en vijf uur in de middag zijn de straten in de meeste woonwijken leeg. Door de claim van de auto op de gemeenschappelijke ruimte, is de speelruimte voor veel kinderen in enkele decennia gekrompen tot de ruimte tot aan de eigen voordeur.
De boodschap was dat we die lege ruimte – en ‘lege ruimte’ betekent in de politieke geografie dat er geen mensen zijn – terugpakken en weer voor onze activiteiten gebruiken. Bijvoorbeeld dat de straten in een woonwijk twee uur na schooltijd weer het het domein zijn van spelende kinderen, zo werd voorgesteld. Dat betekent niet de straat ‘afsluiten’ voor auto’s, maar de straat juist openen voor publiek gebruik.
Die publieke ruimte moet de geatomiseerde gemeenschappen weer met elkaar kunnen verbinden, zo werd ook gezegd. Dat als zodanig is een interessant gegeven. We hebben het altijd over het geatomiseerde individu en zoeken dan naar gemeenschap, maar die gemeenschappen (en we leven niet in ‘een’ gemeenschap, maar in gemeenschappen, meervoud), zijn zelf ook los van elkaar geraakt.
A propos, dat betekent een rem op het al te enthousiast stukjes ‘leeg’ groen in woonwijken en parken claimen voor stadslandbouw. Dat kost ‘speelruimte’. De publieke ruimte moet niet ingericht zijn voor specifiek één soort activiteit; publieke ontmoeting heeft open ruimte nodig, on-bestemde plekken.
In “Getto’s en pleinen”, uit 2000, zagen we dat zich al aftekenen, de noodzaak van ontmoetingsplekken, pleinen, waar mensen ongedwongen met elkaar in contact komen. De opgave voor ons is dus het verbinden van mensen en gemeenschappen door meer publieke ruimte te scheppen.

Zie “Stadslandbouw: bonestaken tussen de flats of voetballende kinderen?”: www.foodfirst.eu/index.php?a=forum&id=23 .

(Oorspronkelijk verschenen op CSC-Plein, 23 september 2014)

Tags: