hans groen


« | »

neem de tijd — over snelheid

Laat ik het eens hebben over een productief keuteldagje. ’s Ochtends boodschappen gedaan, een wandeling van krap 4 km. Toen bleek het toch droog te blijven en was er nog een uurtje beschikbaar in het zwembad, dus daarnaartoe gefietst. Daarna een paar liter frituurolie naar een inzamelpunt gebracht, ook op de fiets. Allemaal te ontspannen?

Toen ik thuis gekomen was, bedacht ik mij dat ik met een e-bike wel wat tijd zou hebben ‘gewonnen’, misschien wel drie kwartier op al die tripjes, maar dat ik dan dus die dag alleen maar drie kwartier langer in een stoel zou hebben gezeten. Waarom zou je je dan sneller willen verplaatsen?

Natuurlijk, als ik nog zou werken zou die tijdswinst mijn productiviteit ten goede komen. En dankzij snelle trein en vliegverbindingen heb ik heel wat congressen in Nederland en Europa kunnen organiseren en bezoeken. Die verplaatsingen willen we snel, en we willen ook nog iets kunnen doen terwijl we op snelheid zijn; het moeten productieve verplaatsingen zijn, en op reis heb ik ook veel werk gerelateerde zaken kunnen afhandelen. Bij het uitruilen van zittijd tegen transporttijd denk ik aan iets anders.

‘Snelheid’ is goed in zichzelf en een te verwerven goed, zoiets als rijkdom; het is overigens vooral een goed voor jou zelf want andermans snelheid is per definitie ‘overlast’ (en andermans rijkdom diefstal, toch?). Toen we nog jagers en verzamelaars waren, was snelheid geloof ik niet zo’n ding. De meeste dieren kunnen sneller rennen dan wij, of houden het langer vol, en dus ben je aangewezen op hinderlagen en korte sprintjes om een buffel te vangen. Pas met het ontstaan van sociale en politieke structuren, komt er structureel behoefte aan snellere verplaatsingen. Ik geloof in ieder geval dat op het moment dat groepen mensen over grotere afstanden iets met elkaar hadden, er ook snellere uitwisseling kwam van berichten en wat men zoal aan elkaar mee wil delen. De Inca’s legden al wegen aan waarop de chasquis hardlopend allerlei berichten rondbrachten.

In de rest van de wereld (nou ja, Europa, Azië, Afrika ten noorden van de Sahara) hadden we toen al paarden die ons met een behoorlijke snelheid over langere afstanden konden vervoeren, en ook nog een kar meevoeren als het moest. Snelheid behelst een zekere agressie: dit is belangrijker en gaat voor, zegt de rennende boodschapper of de koerier te paard; de snelheid van het paard was ook militair, in gewapende conflicten een belangrijke factor. Snelheid is een agressief voordeel en een agressieve kwaliteit: de snellere is ook de sterkste.

Je kunt dan ook zeggen dat snelheid altijd gevaar inhoudt. Opwindend gevaar, denk maar terug aan hoe je op een driewielertje van een heuveltje afreed met de spanning die door je maag gierde (en het geluid van een motor dat je imiteerde). Met de boodschappers te paard, de postkoets die aankomt, de boer die met paard-en-wagen zijn producten afzet, of de aapjes die door Amsterdam snelden, werd de straat al gauw een gebied waar je wel moest oppassen – niet constant natuurlijk, het klikke-klikke-klak kondigde ruimt op tijd het paard aan.

Heel lang bleef massaal vervoer vooral langzaam vervoer in de trekschuit met het voortsjokkende paard vooruit. In ieder geval in Nederland is traagheid lang moreel hoger aangeslagen dan snelheid; waarmee het aanvankelijke verzet tegen de stoomtrein in een iets gunstiger licht komt te staan. Niet dat door de sneltrein de kippen van de leg raken of de koeien karnemelk gingen geven, maar snelheid is een zedelijke kwestie. ‘Sneller’ is niet in zichzelf moreel te preferen boven langzamer; de snelheid van iets is moreel neutraal. Maar als sociaal construct is ‘snelheid’ wel degelijk een morele kwaliteit geworden, zoals rijkdom dat ook is: we zijn liever sneller, hebben liever meer geld, dan dat we langzamer verplaatsen of armer zijn. Snelheid en rijkdom geven ons voorrang in het (maatschappelijk) verkeer.

Waar je het dus over moet hebben, is de ongelijkheid in snelheid, zoals we het al heel lang hebben over de ongelijkheid van bezit. De paden van fietsers kun je beschrijven als analoog aan een zwerm spreeuwtjes. Het peloton in de Tour de France laat dat ook wel zien, maar in een waaier-etappe is het meer een vlucht ganzen. In het echte leven is het anders: daar fietst een meisje van negen vrolijk en spelenderwijs op straat, totdat ze opa op zijn e-bike te laat ziet. We hebben een ‘Vertoog over de ongelijkheid in snelheid’ nodig.

Maar eerst moeten we ervan doordrongen zijn dat gebrek aan snelheid niet een negatieve kwaliteit is. Ik heb de tijd voor een ‘productief keuteldagje’, maar niet om mijn dag te vullen. Toen ik de hele week werkte, nam ik de tijd voor alle noodzakelijke verplaatsingen. De enige die volmacht heeft over mijn tijd, ben ikzelf en voor mijn agenda is de snelheid van anderen ‘overlast’. Dat is wat zo’n dagje ons leert. De tijd nemen, zeggenschap houden over je eigen tijd, bepaalt de limiet voor de snelheid die je nodig hebt in je leven.

Posted in Column
Tags: , ,