hansgroen.com

« |

interview: ons isolement is geen vrije keus

In het tweede interview rond de studiedag Religies in het Publieke Domein praat ik met Ibrahim Spalburg. Sinds 1 september directeur bij Spior, Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond. Daarnaast is hij tot aan het einde van dit leerjaar verbonden aan de HBO-Islam, een tweede graads lerarenopleiding van de Educatieve Faculteit Amsterdam, als studiebegeleider.

SPIOR is een koepel van 40 aangesloten Islamtische organisaties. Veelal zijn het moskee-verenigingen en jongerenverenigingen. Het grootste deel is Turks, daarnaast Marokkaanse en Pakistaanse organisaties. Met de stroom vluchtelingen van de laatste jaren zijn er ook verenigingen van Somaliers en Bosniers. En uit ons koloniale verleden zijn er dan nog Indonesische en Surinaamse (van Hindoestaanse en Pakistaanse afkomst, maar ook van Indonesisch-Javaanse afkomst) organisaties. Het zijn nogal wat verschillende groepringen en culturen naast elkaar.

De hoofdtaak van SPIOR is het ondersteunen van deze aangesloten organisaties. Daarnaast coordineert en verzorgt SPIOR godsdienstonderwijs op openbare basisscholen, waarvoor een aantal mensen op freelance-basis beschikbaar is. En SPIOR coordineert de geestelijke verzorging in penitentiële inrichtingen. Het pilot-project dat samen met het ministerie van jusititie in Zuid-Holland bestond, wordt gecontinueerd omdat er nog geen oplossing is voor een landelijke regeling. Voor deze geestelijke verzorging trekt SPIOR imans aan die veelal hun theologische opleiding in het buitenland hebben gehad en die bewust in Nederland willen verblijven en die dan ook aanvullende cursussen van justiitie krijgen. Dat betekent ook dat ze goed Nederlands moeten kunnen spreken, en ze moeten tal van vaardigheden beheersen ten aanzien van het voeren gesprekken en het kunnen reflecteren op hun professie.

Al die verenigingen doen zo ongeveer wat je kan verwachten van organisaties die rond religieuze instellingen ontstaan: taallessen, huiswerkbegeleiding, discussiemiddagen voor jongeren, allerlei sociaal-culturele activiteiten en manifestaties in het kader van de religieuze feesten. Wat dat betreft staat de islam als godsdienst niet zoveel anders in de maatschappij dan de traditionele kerken. Het voor de hand liggende onderscheid is dat de rituelen en de religieuze kalender van de islam niet overeenkomen met de christelijke kalender van feesten en werktijden. De islam zal zich dan als minderheidsgroep op de een of andere manier moeten plooien naar het maatschappelijk leven in het algemeen. Het interview vindt plaats tijdens de ramadan, de jaarlijkse vastenmaand van de moslim.

“We hebben met het besuur afgesproken dat we een zekere soepelheid betrachten in de werktijden. De medewerkers kunnen bijvoorbeeld om drie uur al weggaan, waarbij SPIOR de helft van het verlof schenkt en de medewerker de andere helft van hun verlof opneemt. Als ze geen verlof willen opnemen, mogen ze ook iets eerder beginnen, maar ze mogen niet voor drie uur weg, want officieel zijn we tot half zes beschikbaar. In andere weromstandigheden is dat misschien moeilijker te regelen, maar ik denk dat de meeste mensen wel vrij kunnen krijgen voor de viering straks aan het einde van de Ramadan. Een bedrijf met volcontinudienst is problematischer, maar dan kunnen mensen vaak toch ruilen met anderen.”

Zelfs al vorm je een organisatie met en voor islamieten, je ontkomt niet aan concessies ten aanzien van de heersende cultuur. Zelfs niet als dat een van de kernelementen, een van de vijf zuilen, van je geloof betreft, het houden van de vasten. Ook zo’n kernelement is het vijfmaal dagelijks gebed.

“We kunnen hier het gebed doen en hebben daar wat kleedjes voor liggen. Ook op de hogeschool waar ik nu nog gedeeltelijk werk is er een gebedsruimte. Ik kan het ook op mijn kamer doen, en niemand die er gek naar kijkt. Ik heb er dus weinig problemen mee, maar anderen hebben er meer moeite mee in hun omgeving. Het is niet algemeen maatschappelijke geaccepteerd dat je op je werk gaat bidden. Mensen reageren soms heel gek. Dat soort dingen zijn toch een beetje taboe.”

Gebeden in het dagelijks leven, als ritueel op vaste tijden of bijvoorbeeld voor het eten, zijn, hoe privaat qua inhoud, bij uitstek publieke, zichtbare, manifestaties van religies. In Nederland was het gebruikelijk dat er voor het eten gebeden wordt en op grotere bijeenkomsten die niet eens altijd specifiek christelijk zijn, wordt nog wel eens een moment stilte gevraagd voor de maaltijd. Dat wordt als eem vorm van fatsoen beschouwd. In de gemiddelde bedrijfskantine wordt het ook wel geaccepteerd als iemand even stil is voor het eten. “Ik ben dat van huis uit wel gewend,” zo reageer ik op wat Spalburg zegt, “maar ik heb er ook niet zoveel probleem mee om mij wat dat betreft, naar gelang de situatie, ‘onzichtbaar’ te maken. Ligt dat voor een moslim anders?”

Ja, op ieder moment van de dag kan je met God in contact treden, hem danken, bijvoorbeeld bij het eten, maar het vijf maal daagse gebed heeft een heel andere strekking. Het is een ritueel voorschrift en meer, een fundament van het geloof en in principe moet je alles doen om het gebed te kunnen doen. Als je bijvoorbeeld gaat solliciteren, moet je dat in je gesprek aan de orde stellen: heb ik gelegenheid of kan ik gelegenheid maken om op de gebedstijden mij terug te trekken om even te bidden? Het zijn ook maar minimale momenten, het langste gebed duurt minder dan vijf minuten. Je moet je alleen van te voren ritueel reinigen — naar het toilet gaan en een kleine wassing waarvoor een fonteintje al voldoet– maar het is heel essentieel. Lukt het echt niet, dan kan je je beroepen op overmacht.

“Wat voor het gebed geldt, geldt ook voor de vasten. Je kan het niet even afschaffen, even overdag niet vasten in de Ramadan. Alleen in bijzondere omstandigheden, als je ziek bent of als je door te vasten dood zou kunnen gaan, of als je zwanger bent, hoef je niet te vasten. Het komt erop neer dat als je op een of andere manier niet vrij bent, in dit geval dus gebonden door ziekte of een lichamelijke conditie, de plicht tot vasten niet geldt.

“President Bourkiba heeft op die manier Tunesië proberen te hervormen. Hij redeneerde dat als je voor een baas werkt, je niet vrij over je tijd kan beschikken. En omdat je om te bidden een moslim en vrij moet zijn, zou het gebed in een werksituatie niet meer verplicht zijn voor de moslim. Vasten zou dan nog wel kunnen, want niemand hoeft daar last van te hebben. Maar het gaat te ver om de zaak zo te interpreteren, dat de bedrijfscultuur zo is dat je bezit bent van je baas.

“Maar verder is er geen argument aan te voeren waarom je het niet zou doen. Er zijn natuurlijk zat moslims die niet bidden, maar dat moeten zij weten, het is hun verantwoordelijkheid tegenover God. Maar er zijn er ook heel veel die het wel doen.”

Het lijkt een beetje alles of niets: of je doet de gebeden geheel volgens de vastgestelde regels, of je doet niets, en dat is dan jouw verantwoordelijkheid tegenover God. Misschien kan je het ook zo zien: Je moet de ruimte kunnen geven dat mensen dat wat zij in hun religie persoonlijk kunnen verantwoorden met hun god, ook publiek kunnen praktizeren. In dit geval: de moslim niet de vrijheid ontnemen waarmee en waarin hij het dagelijks gebed kan verrichten. Voor de islam als minderheidsgodsdienst betekent dat wel dat zij meer een eigen plaats moet bevechten — zoals dat voor elke religie zal gelden die publiek aanwezig wil zijn in een vreemde cultuur.

“Hat is een voortdurende worsteling. Als je kijkt naar de ‘moslims in de straat’ in Nederland, dan zie je dat een belangrijk deel van hun het leven inricht op basis van de islam. Dat religieuze element is in allerlei vormen aanwezig: hoe de persoon zich gedraagt en opstelt naar de buitenwereld en zijn relaties naar de buitenwereld. Met de strikte scheiding in Nederland tussen religie en publiek, heeft dat bij heel veel moslims tot gevolg dat ze zich isoleren: ‘de mensen begrijpen mij toch niet, er is met hen niet te praten’. We vormen dan eigen clubjes waarin we ons terugtrekken. Maar dat geldt vooral voor de eerste generatie. De tweede generatie is meer naar buiten gericht. In Nederland tekent zich nu een tendens af waarin de moslims worden uitgedaagd om uitspraken te doen en zich te conformeren aan de Nederlandse situatie. Men moet zich richten naar de wet en de regelgeving en de scheiding tussen kerk en stat. Dat gaat zelfs zover dat de overheid de moskee binnen komt en wil weten wat de iman zegt. Ik weet niet of dat zo’n goede ontwikkeling is.

“Bij SPIOR zijn wij al jaren bezig om voor de moslims een plek te verwerven in de samenleving. De moslims zijn de laatste jaren vrij stil geweest, zeker de bij ons aangesloten organisaties. Wil je een plek in de samenleving verwerven, dan moet je in veel gevallen compromissen sluiten, zeker met de bestaande instituten die volgens bepaalde structuren werken. Je moet kijken of je via die structuren datgene kunt bereiken wat je zou wlllen bereiken voor de moslimgemeenschap. Dat lukt niet altijd omdat het vaak constructies zijn vanuit een heel andere koker. Wat we dan proberen en vragen, is om op onze eigen manier, weliswaar met compromissen, maar toch met iets eigens, dingen te onwikkelen die herkenbaar zijn voor de moslims. Het doel is dat die moslims gaan participeren in de samenleving. We willen samenwerken en meegaan in de maatschappelijke ontwikkeling in Nederland, maar we vragen de overheid en instellingen ook ons wat ruimte te geven en we proberen hen te overtuigen dat dat in het belang is van de Nederlandse samenleving als geheel. Want wat heb je eraan als mensen zich isoleren en terugtrekken en niet willen meedoen omdat die samenleving als te bedreigend voor hun religie wordt ervaren.”

Om een en ander goed te verstaan, moet je onderscheiden tussen enerzijds de scheiding kerk en staat en anderzijds de verhouding religie en staat. Kerk als insitituut en staat als instituut, dat kan je wel gescheiden zien, maar de verhouding religie en staat is iets anders. Is dat een zinvolle nuancering?

“Zoals we het in de islam ervaren, worden mensen door hun religie gedreven en die religieuze gedrevenheid bepaalt voor een groot deel je gedrag en je relatie tot de medemens, tot een instelling, tot de maatschappij en je participatie in de maatschappij. Er zit een bepaalde gedrevenheid in je die je in alle aspecten van het leven wil laten merken en tot uiting wil laten komen. Je geloof houdt je voor dat je daarmee iets goeds doet en positief bijdraagt aan de samenleving. Dat is iets anders dan de scheiding kerk en staat.”

Dat gaat ook op als je in overheidsdienst of in een publieke dienst werkzaam bent?

“Ja, je neemt overal jezelf mee, je lichaam, je geest. Je kan je zelf niet scheiden van ‘nu ben ik even moslim en nu even niet’. Ik denk dat dat bij een oprechte christen ook niet kan. Je draagt het mee. Ik vond het ook heel gek dat de hele politiek zo over de opmerkingen van minister Pronk over de bombardementen in Afghanistan viel. Het is volkomen legitiem dat je dat zegt, puur uit humanitair, menselijk oogpunt. Maar ineens is dan het militaire belang hoger. Als je zo je religieuze gedrevenheid moet wegcijferen, raken mensen gefrustreerd en gespleten.”

Het leuke is dat een aantal zaken die tijdens het gesprek naar voren komen, helemaal niet zo bijzonder zijn. Binnen de moslim-gemeenschap is er, zo begrijp ik, grote moeite met de tegenwoordige norm dat man en vrouw beiden werken en de kinderen uitbesteden. Niet alleen ligt dat ook voor jonge moslim-gezinnen moeilijk door wat we dan maar een traditionele rolverdeling tussen man en vrouw noemen, het wegbrengen van de kinderen naar een vreemde opvang stuit op bezwaren. Bij goede kennissen valt er nog over te denken, maar naar een vreemde chrêche is te veel gevraagd. Misschien komt er op een gegeven moment wel een kinderopvang vanuit de eigen gemeenschap, waarna de moslims deze achterstand inhalen. Maar je hoeft geen traditionalist te zijn om je af te vragen of de tijd die je met je kinderen doorbrengt wel een kostenpost op je carrière is. Hebben de moslims dan wel echt een achterstand? In sommige aspecten dringt de vergelijking met de zware, orthodoxe protestanten zich op die zich afkeren van de algemene trends in de maatschappij en het isloment vaak opzoeken. Is het isolement van de moslims dat Spalburg wil doorbreken en voorkomen dan zo erg?

“Die christenen uit de rechter hoek zijn gewoon Nederlanders, die wonen hier al eeuwen en hebben een uitgebried maatschappelijk netwerk opgebouwd. Ik heb zelf met hen gewerkt in de scheepsbouw en de hele tekenkamer werd gedomineerd door mensen uit het gebied bij Sliedrecht. Daar kwam niemand tussen: Nieuwelingen die niet dezelfde achtergrond hadden, kregen dan baantjes waarmee ze veel buiten het bedrijf moesten zijn. In het begin werd ik met argusogen bekeken, maar later werden het ook goede vrienden. Maar die mensen verdedigden wel Zuid-Afrika. Die mensen functioneerden heel goed. Zij hadden veel kritiek op alles en nog wat, maar zij leefden volledig in harmonie binnen de maatschappelijke omgeving, ondanks dat ze zich isoleerden. De moslims hebben dat punt nog niet bereikt: zij hebben een achterstandssituatie en zij hebben nog geen uitgebreid netwerk in de maatschappij. Voorlopig is dat isolement nog een opgelegde keus.”

Tags: