hansgroen.com

« | »

interview: iedereen gaat uit van een geloofsstandpunt

Godsdienst lijkt verbannen uit het publieke leven. De institutionele kerken zijn een minderheid, andere religies zijn even zovele grotere of kleinere minderheden en onder Paars is de religieuze overtuigingen van bewindslieden tot strikte privé aangelegenheden verklaard. Is godsdienst als maatschappelijke factor uitgespeeld? Deze vraag staat 16 januari centraal op een bijeenkomst van de Stichting Socires en de Faculteiten Theologie en Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit. Als inleiding op die dag de komende weken in Centraal Weekblad een serie interviews over dit thema. Deel een mr. Piet Hein Donner.

In de laatste peiling (1999/2000) van het Europees Waardenonderzoek geeft 54 procent van de Nederlandse bevolking aan niet tot een religieus genootschap te behoren. Toch verklaarde ruim 60 procent in God te geloven. Hoewel de politiek religie uit het publieke domein probeert te houden is religie in ieder geval present in de maatschappij. Hoe gaan mensen met een uitgesproken publieke functie om met hun religieuze overtuigingen? Mr. Piet Hein Donner, lid van de Raad van State werd bij het grote publiek bekend als voorzitter van de commissie die advies uitbracht over de herstructurering van de WAO.
Donner doet niet makkelijk een boekje open over zijn eigen religiositeit of bezieling. Voor hem staan de vruchten van iemands overtuiging voorop, niet de diepste zielenroerselen die daaraan voorafgegaan zijn.

In het gesprek komen we op de overheidscampagne ‘De maatschappij, dat ben jij’. Een aantal keren is een advertentie verschenen waarin de democratie wordt uitgelegd. Die democratie, zo zegt die advertentie, werkt volgens het principe “de meeste stemmen gelden”. Maar democratie is toch: ‘alle stemmen gelden’, als 51% iets zegt, betekent dat niet dat wat 49% zegt niet geldt?
“Inderdaad,” zo reageert Donner, “het beginsel om zaken bij meerderheid te beslissen is handig als je geen zinnig alternatief hebt om zaken op een andere manier, via argumenten, te beslissen. Neuzen tellen is een verlegenheidskeuze. Je ziet dat we een samenleving rond dat soort verlegenheidsbeginsels hebben gebouwd. Je moet constateren dat het idee van ‘de meeste stemmen gelden’ ook ten grondslag wordt gelegd aan allerlei wetgeving. Niet alleen de geijkte onderwerpen van medisch-ethische vragen, ook in sociale zekerheid, ook in het maatschappelijk verkeer. Daarvan wordt dan gezegd: dat moeten we maar via de markt organiseren. Die markt is een gezond mechanisme als je mensen op elkaar af wilt stemmen.
In Nederland wordt steeds meer aan de marktwerking overgelaten. Dat lijkt een goed principe waarbij de meerderheid beslist. Maar volgens Donner kleven er ook nadelen aan dit systeem. “De markt is een gezond mechanisme als je mensen op elkaar af wilt stemmen. Maar dat betekent niet dat de uitkomst van de markt ook het meest beantwoordt aan wat de behoefte is. Steeds vaker zie je dat de uitkomst van de markt het laagste gemene veelvoud is: eigenlijk is iedereen er ontevreden mee.”
Volgens Donner moeten we zoeken naar meer dan dat kleinste gemene veelvoud. De mens is meer dan een speler op de markt. Je moet die mens aanspreken op wat hij of zij zou kunnen zijn. Wordt de mens niet in zijn volledige potentieel aangesproken dan zal men de vruchten daarvan plukken. Donner laat dat zien aan de WAO-perikelen.
“De WAO-discussie is er bij uitstek een voorbeeld van dat het erom gaat hoe je tegen mensen aankijkt. Het systeem is in de afgelopen jaren geworden dat we óf de werknemer, óf de werkgever verantwoordelijk stellen. Vervolgens geven we hun prikkels via sancties op de uitkering of boetes voor de werkgever. De overtuiging hierachter is, dat bij voldoende prikkels, ieder het eigen belang zal volgen. En dat zal dan ook nog resulteren in het algemeen belang. Maar omdat de mensen in dit systeem niet de instrumenten krijgen om te dóen wat in hun eigen belang is, loopt de zaak vast.”
“Voor een oplossing is het essentieel dat er niet wordt gedacht in termen van tegengestelde belangen. Dan richt je de discussie op de individuele verantwoordelijkheid en miskent dat de arbeidsverhouding per definitie tweezijdig is. Het gaat erom een mechanisme te vinden dat mensen in hun gezamenlijke verantwoordelijkheid aanspoort. Dat geldt ook meer algemeen. Mensen zijn in hun dagelijks leven niet continu met concurrentie bezig. In hun persoonlijk leven, hun arbeidsleven en hun overig maatschappelijk leven staat samenwerking voorop.”
Staand in de christen-democratische traditie, en dus duidelijk religieus gefundeerd, vertrouwt Donner er op dat mensen in het dagelijks leven op allerlei manieren samenwerken. Hij zoekt het niet in de markt, zoals het liberalisme doet, of de overheid, zoals de sociaal democraten geneigd zijn te doen. Voor hem is die religieuze voedingsbodem echter geen vreemd element dat speciale rechtvaardiging tegenover zogenaamde niet-religieuze bronnen behoeft. Hij onderscheidt hierbij geloof en religie.
“Ieder mens handelt vanuit een bepaalde overtuiging over hoe mensen en de werkelijkheid in elkaar zitten. Dat kan sterk religieus bepaald zijn, ervan uitgaand dat de tastbare werkelijkheid onderdeel is van een onzichtbare werkelijkheid en dat er een God is. Het kan ook de ontkenning daarvan zijn. Maar die ontkenning is ook een geloofsuitgangspunt. De idee dat geloof geen plaats heeft in het publieke domein, is dan ook onzin. Het is eerder het standpunt van bepaalde mensen die zeggen ‘mijn geloof is meer waard dan dat van anderen. Mijn geloof is een algemeen geldend geloof en het geloof van anderen is een bijzonder geloof.’ Dat wordt nu vooral gesteld door mensen wier geloof berust op een ontkenning van een godsbeeld. Die uitgaan van een bepaalde, materiële visie op de werkelijkheid. Maar dan bevestigen ze in feite wat ze willen bestrijden, namelijk dat geloof, omdat het uitgaat van laatste waarheden en bepaalde axioma¹s, zich moeilijk laat vergelijken en dat je over geloof niet met andere geloven kunt discussiëren.”

Valse verwachtingen
Als lid van de Raad van State heeft Donner veel te maken met wetgeving. In het hele proces van wetgeving speelt geloof een rol. Maar omdat wetgeving bij uitstek publiek is en zaken dwingend voor iedereen regelt, is een scherp onderscheidend vermogen nodig om geen verkeerde claims en valse verwachtingen te scheppen.
“Het spanningsveld is natuurlijk dat je in bijvoorbeeld de WAO-commissie of in de Raad van State het hebt over wat een overheid mensen moet opleggen. Dan moet je erkennen: ik regel het vanuit een beeld van hoe mensen in elkaar zitten. Maar ik kan niet mensen verplichten om het goede te doen. Dat misvormt het goede. Naastenliefde is vanuit mijn overtuiging goed voor mij zelf, en voor een samenleving. Maar dat betekent niet dat ik via de wet naastenliefde op kan leggen. Je kunt ook niet stellen dat bijvoorbeeld sociale zekerheid een vorm van naastenliefde is die collectief georganiseerd is. Dat is totaal iets anders. Uitgangspunt is: omdat ik ervan uitga dat mensen niet op zichzelf staan maar leven in verbanden met anderen, heb ik een vorm van sociale zekerheid nodig om die mensen te laten bestaan en om ze hun eigen bestaan op te laten bouwen. De fundamentele betekenis van gerechtigheid, om iets anders te noemen, is niet dat je mensen rechten moet geven, maar dat mensen tot hun rechten kunnen komen. De meest fundamentele opgave in de discussie in het publieke domein is uit te vinden wat daarvoor nodig is.”

Opleggen
Donners uitgangspunt is dat iedereen vanuit een geloof handelt, en dat dat geloof, religieus gefundeerd of niet, alle terreinen van het leven raakt. Maar hoe betreed je dan het terrein van de publieke discussie waar je mensen ontmoet met andere geloofsovertuigingen?
“De discussie moet veeleer gaan over: ‘wat zijn de vruchten van dat geloof’. Veel van wat in christelijke kring naar voren wordt gebracht, gaat voorbij aan de vraag ‘wat betekent mijn overtuiging voor het publieke domein?’ Vaak komt de bijdrage niet verder dan alleen de stelling ‘deze en deze conclusie heb ik voor mijn eigen leven getrokken en die moet ik nu maar via wetgeving aan anderen opleggen.’ Dat zie je vooral in discussies in de sfeer van de zedelijkheid en het omgaan met menselijk leven. Daar is het christelijk denken nog niet tot de volwassenheid gekomen om te zeggen: deze en deze conclusies trek ik voor mijn eigen leven, maar dat betekent niet dat ik die verplicht aan anderen op kan leggen. Als ik die ander mijn keuzes opleg, maak ik die ander immers niet christelijker, noch de samenleving zelf.”
“Het publieke debat wordt bepaald doordat men vanuit verschillende invalshoeken, vanuit verschillende visies op hoe mensen in elkaar zitten, hier aan deelneemt. Mijn visie bepaalt hoe ik een samenleving in elkaar wil zetten. Als ik vanuit mijn geloof tot bepaalde conclusies kom, berust dat op een beeld van wat ik meen dat belangrijk is voor mensen. Anderen gaan evenzo uit van bepaalde beelden en veronderstellingen. De discussie moet dan niet zo zeer gaan over welke daarvan de juiste zijn, maar over welke uitkomsten heilzamer zijn voor mensen; welke laten ze beter tot hun recht komen. De discussie van het tegendeel wordt tenslotte vanuit dezelfde vooronderstellingen gevoerd.”
“Het is een voortdurend zoeken hoever je met je eigen visie kunt gaan. Grote delen van de samenleving en van onze wetgeving zouden niet zo in elkaar zitten zonder het christendom. Tegelijkertijd is een groot gedeelte van onze huidige wetgeving mede bepaald door de ontkenning dat er een geloofszekerheid is. Wij gaan in onze wetgeving steeds meer uit van een beeld van autonome mensen die hun eigen belangen kennen en daarover mogen beschikken met als enige morele grens hetzelfde recht van de ander. Dat is een verlegenheidsoplossing omdat je niet durft te kiezen wat beter is voor mensen. Maar met name bij wetgeving en rechtspraak, waar je dus eenzijdig over anderen beslist, kun je niet vanuit een uitgesproken geloofswerkelijkheid anderen bepaald handelen opleggen. Uiteindelijk gaat het niet om de uitgangspunten die je hebt, maar om de uitkomsten. Vanuit je geloofswerkelijkheid heb je een bepaalde opvatting van wat beter is voor mensen. Dat kan zich in de praktijk bewijzen en zo zal dat vertaald worden in wetgeving en vervolgens in de rechtspraak. Zo kun je tal van punten aanwijzen waar diezelfde visie tot uiting komt.”
Ondanks zijn gerichtheid op de uitkomsten in plaats van op geloof gebaseerde uitgangspunten, is voor Donner geloof in feite een constante factor op de achtergrond. “Natuurlijk richt je je wel tot je zelf met de vraag wat er van je verwacht wordt in een situatie. Het antwoord daarop wordt mede bepaald door hoe je zelf in het leven staat en hoe je je eigen positie ziet. Daarbij kan het een machtig moment zijn dat je van uit je geloofsovertuiging kan zeggen: één zekerheid heb ik, het hangt nooit helemáál van mij af, daarom hoef ik het ook niet in een keer helemaal goed te doen. Ik ben wel gehouden het zo goed mogelijk te doen. In dat soort dingen zit het, en in wat ik meen dat mensen zouden moeten doen, niet om het hen voor te schrijven, maar om de voorwaarden te scheppen die hun daartoe in staat stellen.”

Tags: