Hans Groen

« | »

innovatie voor spreeuwtjes op de fiets

Velib, Paris

Vélib’ fietsen, Parijs

Met de verspreiding van e-bikes en smart-bikes zou 200 jaar stilstand in fiets-innovatie doorbroken worden. Zegt Marco te Brömmelstroet. Een beetje enthousiast, want de ‘safety bike’ verving vanaf ongeveer 1880 de ‘penny farthing’, na een ontwikkel periode van ongeveer 10 jaar. Vanaf die tijd werd het driehoeks-frame de standaard dat dus nou om innovatie zou schreeuwen. Ik denk dat de innovatie zich op de ruimte voor mobiliteit zelf moet richten. En op de zwerm spreeuwtjes die door die ruimte ‘vliegt’.

Innovatie: het artikel noemt deelfietsen, elektrische fietsen, slimme sloten, en slimme infrastructuur. Geen van deze zaken is innovatief wat betreft de fiets zelf. Die is ongeveer uitontwikkeld: er zijn seconden te winnen met een beetje meer aerodynamica van wielen en frame, of met een iets betere zit, eventueel nog verfijnder op maat maken voor iedere individuele wielrenner, maar veel zal dat niet veranderen aan het model dat in het peloton gebruikt wordt. Nou zeggen mensen ook vaak dat het wielrennen ‘conservatief’ is, maar volgens mij heeft het wielrennen een andere keuze gemaakt: centraal staat dat je op eigen kracht fietst en de eigen kracht van de renner moet het verschil maken, niet het innovatieve kapitaal achter een fietser.

Als je je houdt aan het concept van ‘op eigen kracht’ aan het verkeer deelnemen, is het gezien de fiets waar u en ik op rijden, zinloos om het over stilstand of innovatie te hebben. Ook een slim slot, bijvoorbeeld, verandert niets aan dat concept. En over innovatie gesproken, ook de auto is uitontwikkeld. We kunnen hem hoogstens nog ‘zelfrijdend’ maken, zodat wij iemand kunnen laten doodrijden als we de weg op gaan met die auto en nog jaren filosofische debatten voeren of de zelfrijdende auto iets te verwijten valt.

Bij innovatie moet je denk ik dus niet denken aan de techniek van het vervoermiddel, maar aan hoe we een vervoermiddel gebruiken. Het gedoe rond deelfietsen laat dat zien. Zo’n 5 jaar geleden dumpten een Chinees en een Deens bedrijf hun ‘deelfietsen’ in Amsterdam, tussen de ook door ‘weesfietsen’ al overvolle fietsenrekken. Toen de gemeente de zo ontstane troep wilde opruimen, heeft het Deense bedrijf (Donkey Republic) zich met de neus in de lucht teruggetrokken: jullie denken in Amsterdam wel dat jullie zo hip zijn met je fiets, maar jullie leven in ‘jurassic park’, was ongeveer de boodschap. Een concept uitrollen zonder marktonderzoek, alleen maar denken dat het zo hip, funky en ‘social’ is dat het wel moet slagen … Hudson’s Bay neemt zijn verlies waardiger met een sociaal plan, want ook zij dachten dat ze zonder marktonderzoek wel 15 warenhuizen konden wegzetten op de vermeende lege plaats die V&D in de consumentenmarkt had gelaten.

Fietsen zijn de nieuwe auto’s: de meeste staan 23 uur per dag geparkeerd, ergens, en worden maar 1 uur gebruikt — even een gok voor de fietsen die in de stad voor boodschappen, kinderen naar school brengen en sociale contacten worden gebruikt. Alles liever dan de Vismarkt in Groningen vol met geparkeerde auto’s, maar als je lopend door de stad steeds tussen geparkeerde fietsen moet laveren, met het gevaar ook aangereden te worden door een fiets die wél gebruikt wordt, krab je je toch achter je oor.

Ruimte voor mobiliteit is het op te lossen probleem, als je kijkt naar de files op de snelwegen en de drukte op het fietspad. Want innovatie is er wel degelijk geweest: de bakfiets, de e-bakfiets voor de kinderen en voor CoolBlue of DHL of andere fietskoeriers, de e-bike, de speed-pedelec, de scooter. En dat moet allemaal over verplichte fietspaden die vaak vanwege gebrek aan ruimte soms niet aan de minimaal gewenste norm van 1,8m voor een éénrichting pad voldoen. Meer asfalt is geen optie, want dat leidt alleen maar tot meer files; de oplossing is het mogelijk maken van mobiliteit ‘op eigen kracht’ of ‘op eigen kracht-met-hulp’. Dat betekent, denk ik, het radicaal openstellen van de bebouwde kom voor alle verkeersdeelnemers op een gemeenschappelijke rijbaan met een algemene snelheidslimiet van 30km. Tegelijk meer ruimte voor de voetganger, want alle bestuurders (fietsers en auto’s) zullen meer centraal en geconcentreerd moeten gaan parkeren. Mobiliteit wordt dan primair keten-mobiliteit: stukje lopen, stukje fietsen, stuk met de auto of met het ov, stukje fietsen of lopen naar je bestemming.

Binnen die kaders moeten we dus lekker gaan innoveren. Ik noem twee zaken die ik dan belangrijk acht. Eerst een ‘re-innovatie’: de buurtfietsenstalling. Vroeger waren er in woonwijken buurtfietsenstallingen, vaak een beneden woningen die als fietsenstalling was ingericht. Buurtbewoners hadden een sleutel zodat ze daar bij nacht en ontij in en uit konden. Je moet even lopen, maar je fiets staat dan veiliger dan op straat, en hij staat droog. Dan hoeft alleen je bezoek op straat te parkeren, waar toch al meer plaats is omdat bijna niemand meer een auto voor de deur heeft.

Daarnaast is er een heel fundamentele mentale innovatie nodig. Willen we ons in een gemeenschappelijke ruimte bewegen, dan moeten we veel beter leren rijden met onze fietsen, op eigen kracht of met een hulpmotor. De scootertjes zijn een beetje bang voor de rijweg; de speed pedelec gebruikers ook. Ja, het is wennen als je niet meer van het gemak en de bescherming van het fietspad gebruikt kunt maken. Maar die angst betekent óók dat je gewoon incompetent bent om aan het verkeer deel te nemen. Gewone e-bikes zijn denk ik de volgende kandidaat voor verbanning naar de rijbaan, tenminste als ik zo eens naar het gedrag van maaltijdbezorgers en oma op haar Stella kijk. Willen we dat moment voorkomen, dan moeten we ons niet meer als spreeuwtjes gedragen, maar serieus aan het verkeer gaan deelnemen. Dan kunnen we gewoon zonder problemen ons mengen met de autootjes die niet harder dan 30km rijden.

Tags:
Onderwerpen: fiets, mobiliteit, verkeersveiligheid