hansgroen.com

« | »

identiteit en goede bedoelingen

Deel je bedoelingen, onze bedoelingen centraal stellen. Je moet dan meteen vragen: “wiens bedoelingen?” Voor je het weet is er een directieteam of, erger, een raad van bestuur die hún bedoelingen op de werkvloer centraal willen stellen. Maar zo werkt het niet. Je kan alleen maar uit je eigen identiteit leven, je kan niet andermans bedoelingen waarmaken. Nadenken over identiteit moet ook een kanteling doormaken.

Ik kom erop bij het doorlezen van het proefschrift van Annemarie van Dalen, “Zorgvernieuwing – Over anders besturen en organiseren” waarop zij in 2012 promoveerde. Het is een studie waarin twee zorgorganisaties onder de loep worden genomen. Eén die al langer bestaat en die een frisse manier van organiseren heeft ontwikkeld. De ander een recentere speler op de zorg-‘markt’ die begonnen is om het helemaal anders te doen. Laat ik nu even niet vertellen welke namen erbij horen.
Beide organisatie hebben een heel platte structuur. Het is vergelijkbaar met een franchise-model. Dat woord roept veel herkenning op in gesprekken die ik momenteel met verschillende sociale organisaties voer, van scholen tot maatschappelijke ondernemers. Een platte organisatie maakt het mogelijk dat medewerkers hún eigen professionele verantwoordelijkheid kunnen uitoefenen omdat die direct, en niet getrapt, in het functioneren van de organisatie is opgenomen.
Zo’n platte organisatie, wil het geen truukje worden, vereist daarmee een sterke identiteit. Identiteit van een organisatie heeft te maken met het voortbestaan van een organisatie, de motivatie van de medewerkers; identiteit hebben betekent dat je kan veranderen, zoals ik in “Identiteit als belofte” indertijd heb uitgelegd. Annemarie van Dalen voegt daar iets heel belangrijks aan toe. Identiteit heeft te maken met hoe je je werkt definieert. Jouw identiteit definieert wat goede zorg is, wat goed onderwijs is, etc. De medewerkers in jouw organisatie kunnen, als het goed is, ieder voor zich hun handelen verantwoorden ten opzicht van die visie.
De kanteling is dat ‘identiteit’ de praktijk van het werk zelf definieert en dat de organisatie vanuit de behoefte van díe praktijk, van wat nodig is voor de medewerker en de cliënt, wordt opgebouwd. Identiteit is niet iets dat je toepast op je werk, of de bedoelingen-die-je-eigenlijk-had-maar-die-een-beetje-zijn-ondergesneeuwd in de organisatie. Identiteit is wat jij nu doet voor deze persoon, en daar kan je je niet achter verschuilen. Het gaat om jóuw bedoeling, en daarom werk je bij een bepaalde organisatie.

(Oorspronkelijk verschenen op CSC-Plein, 13 oktober 2014)

Tags: