Hans Groen

« | »

identiteit als vesting

Ruim twintig jaar geleden schreef ik ‘Identiteit als belofte’, over hoe organisaties met een christelijke identiteit een bestaansgrond kunnen hebben. In de kern ging het mij erom dat je identiteit in je naam vervat is. De roepnaam die je van je ouders krijgt, is ook een beroep-naam die jou vraagt present te zijn en het vertrouwen in jou niet te beschamen. Zo ook geldt dat voor organisaties die zich ‘christelijk’ noemen: zij hebben een naam op te houden, mensen moeten zich op die naam kunnen beroepen.

Ik schreef dit in een tijd dat het gemeenschapsdenken in den brede ingang had gevonden. Dat ging over de bindingen en wij-groepen die bepalend en verplichtend zijn voor de moraliteit in de samenleving. Michael Sandel had betoogd dat er helemaal geen individu is dat zonder last en ruggespraak over moraliteit kan denken, zoals het liberalisme stelde. In onze moraliteit ervaren we verplichtingen aan familie of gemeenschap, klasse of natie. In de samenleving gaat het om de verbondenheid van mensen in ‘wij-groepen’ en om de erkenning van zulke identiteiten. Identiteitspolitiek werd een centraal thema in de samenleving en het beleid.

De identiteit van ‘wij-groepen’ is een identiteit die los van andere ‘wij-groepen’ bestaat, en wil bestaan. Die identiteit verdient erkenning en bescherming in de politiek en door de overheid. Alleen is erkenning in het publieke domein een ‘zero-sum-game’: als de ene groep zichtbaarder wordt, zal een andere groep zich aan de kant geschoven voelen. Het probleem met ‘erkenning’ is dat het tegenover ‘miskenning’ staat. Ressentiment, zoals Slavoj Zizek in “Violence” (2009) schrijft, is de keerzijde van erkenning. Alle identiteiten die om erkenning schreeuwen, presenteren een verhaal van miskenning en onderdrukking door de dominante ‘wij-groep’ van de maatschappij. Die anderen in de maatschappij zijn per definitie schuldig. Die schuld drukt op hen en kan niet ingelost worden. Degenen die niet tot míjn ‘wij-groep’ behoren, moeten een toontje lager zingen en ruimte inleveren om óns nu – eindelijk – een eerlijke plaats te geven.

Een maatschappij van identiteiten en ‘wij-groepen’ is een maatschappij waarin mensen altijd verongelijkt zijn. Een identiteit die erkenning eist, is een rupsje-nooit-genoeg. Met zulke ontevredenheid wordt de maatschappij gewelddadiger. Omdat geweld tegen iemand van een andere groep gewaardeerd wordt, zoals die bruiloftsgast die in Rotterdam een agent buiten westen slaat. Of omdat je geen verweer hebt tegen de ‘wij-groep’ die jou steeds weer uitscheldt, zoals SC Hoge Vucht uit Breda overkomen is, een club die door de KNVB uit de competitie gehaald is vanwege constante vechtpartijen die steeds begonnen door gescheld van de tegenstanders. En je houdt de gelederen gesloten want niemand wil een snitcher zijn en niemand wil de asabiyah (groepssolidariteit) doorbreken. ‘Wij-groepen’ communiceren niet met anderen.

Met identiteiten maak je geen lieve samenleving. Identiteiten van ‘wij-groepen’ kunnen niet bewerken wat voor het samenleven nodig is en wat individuen wel kunnen: veranderen, inpassen bij anderen, en toch trouw blijven aan wat er voor jou ten diepste toe doet. ‘Wij-groepen’ zijn te arrogant om zich in te passen, laat staan ‘in te vechten’; de anderen moeten zich aan hen aanpassen of tenminste een ruimte van vrijheid laten die niet geregeld wordt door wat als de dominante groep wordt gezien.

Die identiteiten van ‘wij-groepen’ beloven helemaal niets – “kut-marokkaan!”, “hoer!”, “homo!”, of een klap op je kop, dat kun je krijgen. Zij missen het hele punt dat meedoen en anderen laten meedoen, inpassen en anderen zich laten inpassen, niet ten koste gaat van jóuw identiteit. Neem eens het Koninklijk Concertgebouw Orkest dat door de tijden heen met spelers uit alle werelddelen een eigen herkenbaar geluid blijft houden; of nog beter, de Nederlandse Bachvereniging die geleid wordt door een Japanner. Meedoen met mensen waarmee jij door geboorte of klasse of nationaliteit, of wat dan ook, ogenschijnlijk niets gemeen hebt, gaat niet ten koste van jouw identiteit en is ook geen verraad aan die identiteit.

Identiteit gaat over iets anders. Twee scenes uit de film ‘Coming Out’, nog net achter de muur in Oost-Berlijn gefilmd. Het is het verhaal van Philip Klarmann, leraar op een middelbare school, die vrede ermee moet vinden dat hij op jongens valt. Hij is het type van de ‘ontregelende’ leraar, een beetje zoals in ‘Dead Poets Society’. In een bar wordt hij bedient door een vrouw die vertelt hoe hij, toen hij klein was een keer door zijn tante, die altijd mannenkleren droeg, ontdekt werd met vrouwenkleren aan. “Oh,” zei die tante, “ik zie dat de natuur jou ook een poets gebakken heeft.” Zijn gevecht met zichzelf blijft niet onzichtbaar op school; hij is niet alleen ontregelend voor het ‘systeem’ met zijn lessen, maar er ook niet altijd helemaal bij en verzuimt nog wel eens door te uitbundig café bezoek. Dat lokt een inspectie uit. De film eindigt bij het begin van een nieuwe lesdag, als de rectrix in de klas komt met een comité van de onderwijsinspectie. Ze schuiven in de bankjes en de leraar gaat op zijn bureau zitten, kijkt de klas rond, kijkt naar buiten, en zwijgt. “Herr Klarmann!” roept de rectrix, en na een stilte nog eens: “Herr Klarmann!” Zijn blik dwaalt van buiten naar binnen, hij staat op, steekt zijn handen in zijn zakken en antwoordt eindelijk met zelfverzekerde blik “Ja.”

Dat is de identiteit waarmee je een samenleving maakt: present en betrouwbaar en met een inzet voor iets dat boven jezelf uitstijgt, hoe gering en bescheiden ook. Het is een belofte dat je de ander meeneemt naar een betere samenleving, beter voor de ander en voor jou. Het is een identiteit die weet dat buiten de banden van ‘wij-groepen’ en zonder last en ruggespraak de verbondenheid bloeit met de mensen met wie je samenleeft.

Tags:
Onderwerpen: belofte, gemeenschap, identiteit, multiculturalisme