Hans Groen

« |

grand hotel europa

Toen ik het stofomslag van de roman van Ilja Leonard Pfeiffer in de winkel zag, dacht ik meteen aan de film The Grand Budapest Hotel. Naast deze ‘post-postmoderne’ stijlfiguur zijn er meer verwijzingen en parodieën in het verhaal van Grand Hotel Europa: in beide een hotel dat nog overeind wankelt en welks glorie in het verleden licht, een schrijver die er verblijft, de vriendschap tussen de liftboy en de manager, een oud schilderij, een geheimzinnige eigenaresse. Pfeiffer weeft door deze elementen het verhaal van de gesneefde liefde van de ik-figuur, en in plaats van de dreiging van een nieuwe grote oorlog, is het hier het massatoerisme dat op het punt staat alles wat waarde heeft te overspoelen en te ontheiligen.

Het is een vreemde ‘roman’. Romanesk is de plot rond de liefdesaffaire van de ik-figuur met een kunsthistorica die hem van Genua naar Venetië voert en waarin de zoektocht naar een verdwenen schilderij van Caravaggio de onrust van de relatie blijkt te zijn. De plotlijn over het massatoerisme is in feite een essay over dit verschijnsel – goed gedocumenteerd, mooi geargumenteerd, geweldig om te lezen qua stijl, maar is het een roman?
Europa, de ‘oude dame’ om dit cliché maar weer eens te gebruiken, wentelt zich in nuffige en nukkige nostalgie en beroemt zich op de grandeur die zij eens had, en wordt ondertussen gecommercialiseerd en als museumobject gecommodificeerd. Europa heeft het verleden, de geschiedenis, uitgevonden, en de kapitalistische economie ontwikkeld en met handelsgeest verbreid. We kunnen dus wel klagen over de rolkoffers en het platte vertier waardoor steden als Venetië, Barcelona of Amsterdam onleefbaar worden, maar we worden genaaid door ons eigen idee dat alleen commercieel succes en geldelijke winst belangrijk is in het leven. Een staaltje van culturele auto-wurgsex.
Het verleden als verdienmodel en dat hebben we zelf teweeg gebracht; we verdienen met ons gecommodificeerde verleden van gebouwen en musea, dus waarom zouden we anderen ervan kunnen weerhouden ook van deze handelswaar te profiteren – zoals het Grand Hotel Europa door een Chinees bedrijf wordt overgenomen, die er meteen een Engelse Pub inzet die Engelser voelt dan een authentieke. Je moet er om treuren, maar als je uiteindelijk toch valt voor de winst die toerisme oplevert, blijk je krokodillentranen geplengd te hebben.
Abdul, de piccolo, doet op een andere manier mee met ons spel. Zijn vluchtverhaal leest als een door Umberto Eco geconstrueerd gebeuren. Pfeiffer laat de mythische wezens en rivieren van vloeibare rotsen uit Baudolino achterwege, anders zou niemand hem geloofd hebben en was hij meteen al teruggestuurd. Intrigerend is het evengoed: heeft hij zijn vlucht uit zijn duim gezogen, of is het echt gebeurd? Wij leven met de mythes van vroeger, de Ilias en Odysse, wij spreken soms nog de tale Kanaäns en trekken met de slaven, samen met Mozes, door de zee als we een spiritual zingen. Het onwaarschijnlijke in Abduls verhaal maakt hem deelgenoot met de mythes die aan Europa ten grondslag liggen. Met zijn mythisch en episch reizen en lijden, heeft hij de geschiedenis van Europa nageleeft en krijgt hij een vrijkaartje voor dit museum dat Europa heet; zijn verhaal vervult ons met erbarmen. Maar ‘erbarmen’ is ook de enige manier waarop Abdul een kaartje kan krijgen. Als hij gewoon aan de grens toegang vraagt, zou hij geweigerd worden, want zonder visum kom je er niet in. Abdul is een ‘toerist’ die alleen door asiel te vragen bij Grand Hotel Europa kon komen aanwaaien.
De vluchteling en de toerist zijn de Januskop van de commodificering van geschiedenis en cultuur onder de tucht van de markt. De toerist halen we ongebreideld binnen en daarom moeten migranten de kaart van vluchteling en asielzoeker spelen om hier te kunnen verblijven. Laten we het wat moeilijker maken voor toeristen zodat migranten meer mogelijkheden krijgen.

Tags: