hans groen


« | »

geschiedenis hertalen

In De lage landen van Marnix Beyen en anderen viel deze zin op: “De geopolitieke positie … van de Lage Landen nodig[t] wel uit tot samenwerking …, maar dat leidt niet vanzelfsprekend tot het ontstaan van een … gevoelsgemeenschap. Dat zulke gemeenschappen er … toch kwamen, was lang niet altijd omdat overheden dat van bovenaf zo bedacht hadden.” (p.13)

Wat ik hierin lees, is ten eerste dat ‘de polder’ wel een belangrijke ervaring is in samenwerking, maar niet meteen in gemeenschapsvorming. Dat staat dan als nuance tegenover het Hollandse zelfverstaan van de poldermentaliteit van saamhorigheid die in eeuwen gemeenschappelijke strijd tegen het water is gevormd. Ten tweede lees ik dat je oog moet hebben voor wat van onderaf zich ontwikkelt. Als je leest hoe ‘we’ al decennia over ‘verzuiling’ denken als een door elites en overheid bediend marionettentheater, zou je dat licht vergeten. Hoe dat in dit boek verder wordt uitgewerkt, heb ik nog niet gelezen. Wat mij meteen trof, was dat hier weer eens duidelijk wordt dat ook de geschiedenis steeds herschreven wordt omdat wij steeds andere vragen aan het verleden stellen, of omdat door onze eigen actualiteit andere ontwikkelingen ineens meer spreken of een bepaalde rode draad ineens zichtbaar wordt. Zoals je ook steeds weer literatuur kunt vertalen zodat we ons kunnen blijven verheffen met de schat van eeuwen.

Geschiedenis is het verhaal van wat er vóór ons gebeurd is; taal is de verwoording van wat we gisteren, vandaag en morgen doen, aan ons gedaan wordt, en denken. Er is alleen geen één-op-één relatie tussen de gebeurtenis zelf en de verwoording in de geschiedenis of literatuur. Die relatie is altijd ambigu; één en hetzelfde kan verschillende betekenissen dragen.

Snol’ stond vroeger voor een bevallige vrouw, maar nu is het een scheldwoord voor een vrouw die wij hoerig vinden. Als je dat niet weet, vertellen teksten jou een ander verhaal dan wat hun verwoordde waarheid is. Er moet af en toe een her-woording van teksten uitgevoerd worden als de tekst betekenis voor ons moet blijven houden.

Ooit las ik De Civitate Dei van Augustinus en omdat je met drie jaar school-latijn niet ver komt, deed ik dat in een Engelse vertaling. Het aardige was dat Everyman’s Library een vertaling uit 1610/1620 had gemoderniseerd voor de nieuwe uitgave in 1945. De inleiding op het werk was overgenomen uit de heruitgave van de originele editie uit 1890 en dus werd daarin die oude vertaling geciteerd. Die citaten las ik veel makkelijker dan de gemoderniseerde vertaling. De zinsbouw en grammatica van het Engels van Thomas Hobbes en William Shakespeare staan veel dichter bij het Nederlands dan die van het moderne Engels. Taal verandert als mensen andere dingen met taal gaan doen, bijvoorbeeld zich als elite onderscheiden van andere groepen. Het ontstaan van het Hoog Duits is daar ook een voorbeeld van.

Net zo is de geschiedenis een spiegel van de vraag die aan de naakte gebeurtenissen wordt gesteld. In De Lage Landen lees ik een ander verhaal over de Nederlanden die de opstand tegen Spanje beginnen dan wat vanuit het ‘oranje perspectief’ mij geleerd is in de ‘vaderlandse geschiedenis’ op de lagere school. Vanuit dat perspectief zijn figuren als Van Oldenbarneveldt en later Johan de Witt toch wel struikelstenen voor het doorlopende verhaal van Nederland en de Oranje-dynastie.

Het verhaal van de geschiedenis is plooibaar. Pakweg een eeuw geleden werd de beruchte of beroemde Nederlandse verzuiling vormgegeven, en alle drie de zuilen, de protestantse, de katholieke en de socialistische, waren er we van overtuigd dat hún kring op de zuiverste manier de Nederlandse volksaard vertegenwoordigde. ‘Volksaard’, ook weer een concept dat we nu niet meer erg nuttig vinden (behalve bij masochisten die zich verkneukelen bij het azijn dat uit The UnDutchables vloeit).

Het kan veel schrijnender. Wat gebeurde er toen Engelsen, Fransen, Nederlanders in Noord-Amerika aan land gingen. Zij ‘kochten’ land van de mensen die daar bleken te wonen, terwijl de First Nations waarschijnlijk geen concept van landeigendom hadden, en de Europeanen in feite elke eigendomsclaim zouden verwerpen omdat alleen land dat bewerkt wordt, waar een mens arbeid op verricht, eigendom wordt van iemand (aldus John Locke en J.-J. Rousseau). Noord-Amerika was ‘leeg’ land, het was van niemand, er woonde niemand. Maar was, en is, daarmee de kous af? Het is wel de basis voor de ongeëvenaarde enormiteit dat een groep mensen tot folkloristische marginaliteit is gereduceerd door een groep nieuwkomers die zelfs nog een zweem van legaliteit voor hun handelen willen construeren.

Taal en geschiedenis tonen ons één waarheid, wat er gebeurd is en wat er geschreven staat. Maar de betekenis van die waarheid is ambigu, die moeten we soms zoeken en soms geven. Die betekenis is daarmee inherent verbonden met wie wij zijn, met wat wij zoeken en met wat wij aan betekenis willen geven. Daarom wordt de geschiedenis nooit definitief vastgesteld, wordt het laatste boek nooit geschreven en kunnen we alleen leren door steeds te hertalen en te herschrijven, dat is, steeds opnieuw de betekenis voor ons zoeken in wat gebeurd is en wat geschreven staat. Geschiedenis is altijd geschreven voor ons; een vertaling is altijd gemaakt voor ons. Wie schrijft die geschiedenis, wie maakt die vertaling, dat zal altijd onderwerp van debat zijn. Verhit soms, zoals Marieke Lucas Rijneveld heeft ervaren, maar in ieder geval nooit afgesloten.

* M. Beyen, J. Pollmann en H. te Velde: De Lage Landen – Een geschiedenis voor vandaag. Rekkem/Den Haag: Ons Erfdeel vzw, 2021.

Posted in Column
Tags: ,