hans groen


« | »

effingers

Nog even te gaan, ik ben nu op driekwart van de negenhonderd pagina’s, en toch wil ik het even hebben over deze alleraardigste en meeslepende roman Effingers van Gabríele Tergit. De roman verhaalt over twee Duits-Joodse families en omspant de periode van 1878 tot 1942.

De roman verscheen al in 1951 en werd in 2019 voor de derde keer uitgegeven, en nu met veel grotere respons. Ik las over dit boek in de vroege zomer van 2020 en heb het toen besteld als excuus voor een tripje naar Leer – dat kon tussen de corona-golven door. Ik ben in het najaar begonnen met lezen en nog niet aan het einde. Het is geen roman die je monomaan hoeft te lezen, alle andere leesvoer terzijde leggend. Maar ook, de roman stelt mijn Duits een beetje op de proef, het is lang geleden dat ik zo vaak een woordenboek heb gebruikt (terwijl ik Kant, Hegel en Habermas zonder problemen in het Duits lees, maar dat is wel een specifiek filosofisch-wetenschappelijk idioom). Vaak reikt de context de betekenis aan van onbekende woorden, maar bij Effingers gaat het heel specifiek om de beschrijvingen van wat er gebeurt en wat gezegd wordt, en dan zijn de termen van bankiers en fabrikanten en gewoon levende mensen in het Duitsland van meer dan driekwart eeuw geleden geen dagelijkse kost. En de kracht van de roman zijn juist de precieze beschrijvingen van de wederwaardigheden van de familie Effinger en Oppner.

Wat deze roman in mijn ogen biezonder maakt, is hoe de tijd voelbaar wordt in de 151 hoofdstukken en 878 pagina’s. Gaandeweg moest ik denken aan de ‘snapshot’ geschiedenis die P.J. Bouman in Revolutie der eenzamen toepaste, toevallig (?) rond die tijd geschreven (1953). In korte schetsen worden beelden getekend die opeenvolgen, maar soms enkele jaren later zijn ‘opgenomen’. Waar Bouman de geschiedenis van 1901 tot 1950 beschreef, in den brede bekend bij de lezer, is het fascinerend te merken dat Tergit zo’n continuïteit in een fictief verhaal waarmaakt. Je hebt nooit het gevoel dat je iets gemist hebt als een volgend hoofdstuk een paar jaar verder springt. Het is vertelkunst op een hoog niveau om de ‘snapshots’ zo te ensceneren dat het verhaal een continuüm blijft.

De ‘snapshot’ techniek maakt het makkelijk om zo lang over deze roman te doen. Je kunt steeds één of twee ‘foto’s’ bekijken, daarover nog wat doormijmeren, om dan de volgende dag weer verder te kijken. Het verhaal gaat door, zoals je met goede vrienden ook de draad meteen weer oppakt nadat je ze een tijdje niet hebt gezien. Het verhaal kabbelt niet voort, het volgt de gang van het leven van alledag en toont de momenten die achter elkaar gezet dat leven verbeelden. Als ik deze roman lees, lees ik over levende mensen en hun vreugde en moeilijkheden, zonder ook dat er één de held is, of een ander de schlemiel. Helden en schlemielen kom je namelijk in het dagelijkse leven minder vaak tegen dan de ge-‘roman’-tiseerde beschrijvingen doen vermoeden. In het echt zijn mensen ook nooit zo uitgesproken heldhaftig of schlemielig dat het erg zou opvallen (helden zijn bovendien ontstellend saaie wezens, maar dat is een ander verhaal). Het is de kracht van Tergits verhaal dat de mensen voor je oog tot leven komen en dat je hun wederwaardigheden ervaart als die van een heel goede kennis.

Tergit geeft een tijdsbeeld waarin ambachtsmensen met het kapitalisme geconfronteerd worden. Paul en Karl Effinger zijn zoon van een uurwerkmaker uit het fictieve Kragsheim en zij trouwen met dochters van de bankier Oppner in Berlijn. Al meteen op de eerste pagina schrijft Paul Effinger uit Berlijn in een brief aan zijn ouders dat de arbeider hier een bedelaar is die alleen een beetje beter af is. Uiteindelijk heeft hij samen met zijn broer Karl een autofabriek van de grond gekregen. In het Duitsland van eind 1918 maakte je je daar niet meteen populair meer mee; hij verzucht in de revolutionaire woelingen dat zijn generatie industriëlen tot doel had betere levensvoorwaarden voor iedereen te creëren en niet zich persoonlijk te verrijken. Ook Emmanuel Oppner, zijn schoonvader, is een ‘ambachtelijke’ bankier die van allerlei riskante beurs-constructies niets moet hebben. Gabríele Tergit weet ontzettend knap die stukjes sociale en economische geschiedenis in haar verhaal te werken, en dat verhaal is nog steeds relevant, want ook nu worstelen we met arbeid, ambacht, kapitaal en beurs.

De familie Effinger is joods, Emmanuel Oppner is joods en ingetrouwd in de joodse bankiersfamilie Goldschmidt. Voor de lezer hangt de donkere wolk van antisemitisme en het nationaal-socialisme boven deze roman. Ik denk dat Tergit een iets lichtere toon heeft willen aanslaan. Antisemitisme is aanwezig, maar haast op gelijke voet als de sociale onrust die met de industrialisatie gepaard ging, of de revolutionaire en communistische woelingen in het Duitsland van vlak na de Eerste Wereldoorlog. De roman verdedigt niets, argumenteert niet, maar laat zien wat mensen in die tijd bewoog en hoe zij zich staande hielden – als ambachtsman, als industrieel, als bankier, als jood, met eventueel communistische sympathieën. Meer dan argumentaties kunnen bewerken, bevind je je daardoor vaak in de huid van de handelende personen en onderga je als lezer wat het voor die jood was om in die tijd te leven. Je wordt deelgenoot en geen medestander. Een medestander praat en vecht met je mee, tegen de ander; een deelgenoot gaat met jou mee, en neemt die ander mee. Dat is een mysterie, dat wij mensen allereerst deelgenoten, maten, reisgenoten zijn van elkaar en geen ‘medestanders’.

 

Posted in Column
Tags: , ,