hans groen


« | »

de buurt als basis van democratie

Bij politieke en sociale vernieuwing en bij huisvesting is de buurt veelal de focus van de gedachtenvorming. Maar is zo’n geografische basis voor democratie en maatschappij vol te houden in een maatschappij waarin mensen alleen tijdelijk in één buurt wonen?

De idee van het belang van de buurt, zo leer ik uit Zef Hemels Er was eens een stad (2021), stamt van Thomas Jeffersons ‘Republic of the Wards’. Ik had nooit zo stil gestaan bij die verbinding en het verheldert veel van wat ik in de loop der jaren over lokale democratie en democratische vernieuwing heb gelezen. Waarom namelijk die focus op het lokale, zoals bijvoorbeeld dat lokaal verdiend geld niet mag vervreemden (zie gronische gulden). Jefferson heeft het over kleine bestuurlijke eenheden waarin iedereen elkaar kent en dat was ook het geval in de agrarische natie die de VS in 1816 nog was. Daarmee kon ik meteen mijn ongemak verklaren bij het wijk en buurt-verhaal, want het staat te dicht bij de beklemmende gemeenschapsbanden die we nu juist ontvluchten.

Als een samenleving zich ontwikkelt, gaan natuurlijke en primaire banden terugtreden – en ik wil van ‘ontwikkeling’ blijven spreken omdat het gaat om ont-wikkelen, het wegnemen van ‘wikkels’ waardoor aanwezige mogelijkheden naar voren kunnen komen. Niet alle kinderen blijven bij de ouders wonen, niet in hetzelfde huis en niet in dezelfde plaats. Zoals J.-J. Rousseau het aangeeft: de natuurlijke gemeenschap valt uiteen en maakt plaats voor een conventionele gemeenschap, een gemeenschap die bestaat door een afspraak. In de moderne stad is niemand honkvast. Er zijn mensen die in een wijk komen wonen en daar tot ver na hun pensioen blijven, totdat ze een andere woning moeten zoeken vanwege hun gezondheid, of omdat ze overlijden. Als zij kinderen hebben, zullen die als regel niet in dezelfde buurt wonen, vaak ook niet eens in dezelfde stad. Anderen wonen maar gedurende de tijd dat ze in de stad werken in een bepaalde wijk. Weer anderen wonen in de ene plaats en werken in een andere; soms wonen gezinnen ook tussen de werkplaatsen van de partners in. De binding met stad en wijk is heel los.

Hechte gemeenschappen als Volendam of Staphorst of Urk zijn nu de uitzondering. Maar de heimwee naar zulk gemeenschapsleven klinkt door in hoe de buurt benaderd wordt. ‘Gentrificatie’, waarbij door renovatie of nieuwbouw andere bewoners, veelal meer kapitaalkrachtig, in een buurt stromen, wordt vaak gekritiseerd omdat het de sociale cohesie van een buurt vernietigt – bestaande bewoners kunnen de woning niet meer betalen, en de nieuwe bewoners verkeren in hun eigen kringetje van kekke koffiebars. Vanaf 2010 ongeveer zag ik dit heel mooi gebeuren in de Amsterdamse Indische Buurt, waar naast de wat naargeestige Marokkaanse en Turkse supermarkten allerlei hippe koffiezaken en café’s zich vestigden.

Voor een moderne stad is er niet één verhaal te schrijven als je met onderhoud en verbetering van stadswijken bezig bent en als je op een toekomst wilt anticiperen. Iedere bewoner heeft een eigen verhaal en een eigen toekomst en de geografische locatie is contingent op die verhalen. Zef Hemel legt in het laatste hoofdstuk mooi uit hoe er niet één waarheid is voor de planoloog. Wat mij duidelijk werd, is dat zo’n perspectivisme van de verschillende verhalen geen relativisme van iets als ‘waarheid’ in hoeft te houden. Dat relativisme kun je niet volhouden met de weerbarstige werkelijkheid die onze theorieën en concepten steeds weer overhoop haalt.

Dat covid-19 slechts een griepje is, kun je niet volhouden als je ziet welk direct en indirect lijden dit virus veroorzaakt. Dan is er nog genoeg ruimte om je af te vragen of de overheid de juiste maatregels neemt en of de bij-effecten van die maatregels niet erger zijn dan de ziekte die bestreden wordt. Je moet daar meteen aan toevoegen dat die weerbarstige werkelijkheid altijd ook mede door ons eigen theoretiseren wordt gevormd. Het Ptolemeïsche model met de aarde in het centrum van de kosmos bleef heel lang in stand, met allerlei ingewikkelde theorieën om waarnemingen die niet klopten met dat model weg te verklaren. Totdat Copernicus van de zon ons middelpunt maakte waarna er ineens vele puzzelstukjes op hun plaats vielen in een eenvoudiger model. Het ptolemeïsche perspectief is daarmee verdwenen en je kunt er niet mee aankomen en zeggen: dat copernicaanse, dat is jóuw perspectief.

In het stadsleven en in de samenleving komt die weerbarstige werkelijkheid geheel uit het menselijk handelen voort, is daarvan nooit onafhankelijk, en wordt bovendien steeds weer veranderd in dat handelen. De sociale wetenschappen hebben geen gefixeerd ‘object’ van onderzoek, de werkelijkheid verandert onder het observerende oog van de onderzoeker. De richting waarin die werkelijkheid zich ontwikkelt staat ook niet vast. Er is geen toestand waarvan iemand kan zeggen: over tien jaar staan we daar, en dus moeten we nu dít doen. Ga maar eens 10 jaar terug in je herinnering, en dan weer tien jaar, en haal voor de geest wat je toen dacht over de toekomst en waar je op inzette en stuurde.

Met een open toekomst heb je alle verhalen van alle betrokkenen nodig om een gesprekslijn uit te zetten naar die toekomst. De wijk als ‘ward’, maar dan als verzameling van toevallige bewoners, kan de geografische eenheid zijn waarin dat gesprek plaatsvindt en waar die lijn met overtuiging wordt uitgezet. De wijk als leerschool en tegenwicht, niet vervanging, van het bredere politieke proces waarin onze politieke ideologieën het voor het zeggen hebben en we zaken oplossen die we op wijkniveau niet eens kunnen beginnen aan te pakken. Weer een aanwijzing dat democratie niet over ‘50%+1’ gaat, maar dat het om overtuigen en de ander met jou meenemen gaat.

Posted in Column
Tags: , , , , ,