Hans Groen

« | »

cuius regio, eius religio

In 1026 stuurde keizer Shengzong van Liao (Noord China) een gezant naar sultan Mahmud van Ghazni (nu Afghanistan) om diplomatieke betrekkingen aan te gaan.  Handel werd er al wel bedreven, vandaar, maar Shengzong wilde meer. “I have no need of close relations with you until you accept Islam. Goodbye.” Dat was het wat botte antwoord. [*] De heersers van het jaar 1000 verdeelden de wereld al in blokken langs de lijnen van religies.

Hansen beschrijft hoe rond het jaar 1000 religie vooral een zaak was van (geo-)politiek in Europa, Azië en Noord-Afrika. Christendom, Mohammedanisme, Hindoeïsme en Boeddhisme waren de spelers en als heerser lette je goed op hoe je je machtsbasis kon versterken. De verbinding met de lokale bevolking en met andere machthebbers waren belangrijke overwegingen want daarmee vestigde je je gezag en macht als vorst en faciliteerde je de handel. Met religieuze overtuiging, het ‘geloof’ van de heerser, had het weinig te maken.

Wat ik begrijp uit de studie van Valery Hansen, is dat de islam dus ook aan dit mechanisme onderhevig was. De verspreiding van de islam in Noord-Afrika en Azië en Zuid-Europa was minder een kwestie van ‘te vuur en te zwaard’, maar vooral een schaakspel van machtspolitiek van de heersers. De religieuze retoriek rond de latere verdrijving van de Moren uit Spanje en de belegering van Wenen moet je dus misschien vooral begrijpen als uitingen van een (geo-)politiek conflict. Het was ook een beetje relatief, want in Nederland riepen de Geuzen bijvoorbeeld “Liever Turks dan Paaps.”

Oorlogsretoriek geeft een vertekend beeld. De Engelsen konden het bloed van de Nederlanders wel drinken na een paar militaire nederlagen in de zeventiende eeuw. Die frustratie werd uitgeleefd in uitdrukkingen als ‘Dutch courage’, ‘Dutch metal’, of ‘Dutch wife’ (vandaar de vele Engelse toeristen op de Wallen in Amsterdam …). Bij de bloeddorst van de vijand verbleken je eigen wreedheden.[**] De nabijheid van hen met wie je een gewapend conflict hebt, verscherpt de contrasten en zorgt dat verschillen overbelicht worden. Zo volgt de bijbelgordel van orthodox calvinisme in Nederland de grens van het Twaalfjarig Bestand. Met een nabije vijand is het moeilijk vrede sluiten.

De politieke betekenis van religie zoals die rond het jaar 1000 zichtbaar wordt, is een voorafspiegeling van het ‘cuius regio, eius religio’ waarmee na de Vrede van Westfalen (1648) de Europese staten werden opgedeeld in homogene blokken volgens de religie van de heersende vorsten. Liberale denkers houden het erop dat na 1648 een modus vivendi ontstond tussen de tot dan belligerente religies die uiteindelijk tot de deugd van tolerantie heeft geleid. Want: “it is difficult, if not impossible, to believe in the damnation of those with whom we have long cooperated on fair terms with truth and confidence.”[***] Volgens mij is dat helemaal niet onmogelijk en ook niet moeilijk, er zijn genoeg evangelische christenen die ’s avonds bidden voor de bekering van hun collega waarmee ze zo goed samenwerken. Tolerantie, de houding dat jij geen aanstoot neemt aan de religie die jouw buurman aanhangt, is pas van na de Verlichting. Daarvoor moet je namelijk inzien dat de overtuiging van jouw buurman ten lange leste niets betekent voor jouw eigen overtuiging. Niet uit onverschilligheid, maar omdat je in alle redelijkheid je buurman niet kunt overtuigen van jouw geloof. Tolerantie verschijnt pas aan het einde van een diepgaand gesprek.

Wat moeilijk is, is jezelf niet als uitvoerder van het godsgericht te beschouwen en die ander de hersens in te slaan of eventueel in de gevangenis te gooien. Noord-Ierland was lang het toneel van zulk geweld; IS is een walgelijk voorbeeld van nu. Maar ook de manier waarop de gereformeerden van Afscheiding en Doleantie door de Hervormde Kerk met behulp van de staatsmacht zijn behandeld, is een wreed voorbeeld van religies die elkaar het licht in de ogen niet gunnen.

Wat ook moeilijk is – moeilijker? – is met die ander van wie jij denkt dat hij verdoemd is, toch te gaan samenwerken. De mohammedaan Mahmud wilde niet samenwerken met de boeddhist Shengzong omdat ze niets gemeenschappelijks hadden. Dat samenwerking ermee begint dat we allebei mens zijn, vooraf aan alle zichtbare en onzichtbare kenmerken en kwaliteiten, is een kwetsbaar inzicht gebleven.

[*] Valery Hansen, The Year 1000. Viking, 2020, p. 162.

[**] Nog steeds merk ik een meewarige grimlach bij Engelsen als het over zaken en gewoonten in Nederland gaat: ‘funny, quaint’ schittert achter hun pupillen. Opmerkelijk genoeg is het niet omgekeerd: afgezien van de trofee uit Chatham in het Rijksmuseum hebben de meeste Nederlanders vriendschappelijke woorden over voor Engelsen.

[***] John Rawls, “The idea of an overlapping consensus,” Oxford Journal of Legal Studies, 7/1 1987, p. 23.

Posted in Column