hans groen


« | »

corona sprookje

Eens, ergens in een plaats in Nederland liep een man langs de weg. Het was in de tijd dat er een corona-epidemie in het land heerste, een onbekende griep waartegen niemand nog weerstand had. De regering had allerlei procedures en protocollen bedacht en algoritmes opgesteld, maar het beleid werd steeds weer veranderd als een groep de stem verhief. Niemand wist meer wat nu precies de bedoeling was van de maatregels. De regering was bang voor een opstand omdat er al zo veel was misgegaan in de laatste jaren, dus als ze iemand gelijk konden geven, deden ze dat maar gauw; en morgen weer iemand anders.

De man was naar deze plaats gekomen om een oud-tante van 98 te bezoeken die hier in een verpleeghuis verbleef. Zij was kinderloos en haar directe familie was al lang overleden. De man woonde niet ver hier vandaan en bezocht haar regelmatig. ’s Ochtends had hij zich niet erg goed gevoeld, maar toch was hij met de bus op weg gegaan. In de bus was hij gaan hoesten en hij voelde zich over zijn hele lichaam gloeien. Een slecht teken, die griep kon heel snel opkomen. Hij was in het dorp uitgestapt en niet meer naar die oud-tante gegaan, bang haar te besmetten, en had gekeken of er dichtbij een testlocatie was. Hij was nu toch al onderweg en omdat het was gaan sneeuwen, wilde hij de test maar meteen regelen. Er was inderdaad een locatie waar hij meteen voor een sneltest terecht kon, ergens tussen de kantoren aan de rafelrand van het plaatsje. Met de test gedaan, liep hij nu naar een P&R locatie bij de snelweg om daar de bus terug naar huis te pakken.

Het sneeuwde nu niet meer en het was waterkoud geworden; de witte deken begon een beetje te smelten. Uit zijn ooghoeken zag hij een paar jongens met donkere kleding en capuchons over hun hoofd getrokken. Ineens kreeg hij een lading sneeuwballen over zich heen. De sneeuwballen waren in de handen van de jongens ijsballen geworden. Een paar knalden in z’n ogen en tegen z’n slaap en door de schrik gleed hij uit, viel en stootte zijn hoofd tegen een hectometerpaaltje. Versuft bleef hij liggen. Geschrokken renden de jongens weg, terug het dorp in.

Na een tijdje kwam hij weer een beetje bij. Vlakbij zag hij een picknicktafel met banken, zo’n constructie voor fietsers die willen uitrusten, maar die altijd leeg zijn omdat ze vooral uitzicht op autoverkeer geven. Op handen en voeten kroop hij ernaar toe en hees zich op de bank. Hij voelde op de plek waar hij het paaltje geraakt had, en zag dat zijn handen onder het bloed zaten. Koortsig en moe van de inspanning legde hij zijn hoofd in zijn armen en dommelde weg.

Er kwam een man langsgefietst. Hij was inspecteur van de belastingdienst en op weg naar een belangrijke vergadering over de ‘toeslagenaffaire’ – mensen met lage inkomens hadden hoge boetes gekregen voor kleine vergissingen bij het aanvragen van vergoedingen voor kinderopvang. Hij was al wat laat en had haast om de bus te halen. Er moesten besluiten worden genomen over hoe de procedure zou verlopen waarmee het protocol moest worden bepaald voor de teruggave van de onterecht geïnde boetes voor deze vermeende toeslagen fraude. Het was natuurlijk allemaal wel waar, dat de fraudejacht wat doorgeschoten was, maar zomaar geld teruggeven kon natuurlijk ook niet, dat moest goed overdacht worden. Dat moest eerlijk en secuur gebeuren en niet weer leiden tot nieuwe fraude. Het was allemaal veel en veel complexer dan het eenvoudig opleggen van een boete. Hij kwam langs de man die in de sneeuw half over de picknicktafel lag. Wat zou er met die man gebeurd zijn, afstappen en even kijken? Maar dan zou hij de bus missen en te laat komen, en vooral nu, juist nu, kon hij zich dat niet permitteren. Mensen kwamen al in opstand omdat alles volgens hen veel te langzaam ging, afkeuring vulde de krantenkolommen. Gelukkig, van de andere kant naderde een vrouw op de fiets, die zou wel kijken wat er aan de hand was. Hij fietste door en groette de vrouw in het voorbijgaan met een knikje richting de picknicktafel achter hem.

De vrouw zag de man in elkaar gezakt op de bank zitten. Ze werkte in het verpleeghuis waar ook de oud-tante woonde van de man die aan de picknicktafel zat, maar ze kende hem niet. Vanmiddag moesten de bewoners gevaccineerd worden en zij zelf zou ook een prik te krijgen. Het luisterde allemaal nauw, want de prikken moesten goed geregistreerd worden omdat na drie weken een tweede prik nodig was. De spuiten moesten nauwkeurig gevuld worden zodat er geen vaccin in de flesjes achterbleef, het juiste aantal doses uit een flesje gehaald werd, en misschien wel iets meer. Het moest ook nog snel, want het vaccin kon maar kort buiten de vriezer bewaard worden. Het was een heel protocol dat ze moesten aflopen en afvinken en de mensen wilden eindelijk dat vaccin hebben. De families van al die bewoners snakten er ook naar om weer met z’n allen langs te komen, in plaats van dat er één tegelijk op bezoek kon.

Ze was al wat verlaat, ze twijfelde. De man leek te bewegen en haar te zien, hij was nog half duizelig van de klap en de inspanning en kon alleen een primitieve grom produceren als groet. De vrouw fietste door, want voor een half dronken man in de sneeuw kon zij de kwetsbare bewoners niet laten wachten en ze kon al helemaal niet riskeren dat zij zelf met corona besmet zou raken. Als ze nu eerst beschermende kleren ging aantrekken en zich daarna weer ontsmetten, zou het vaccin straks bedorven zijn. Bovendien, ze hadden vanuit de vakbond hemel en aarde bewogen om verpleeghuispersoneel als eersten te vaccineren. Er waren kwetsbare ouderen, maar toch minstens net zo belangrijk waren de mensen die voor die kwetsbaren moesten zorgen. Het was hier aan de weg druk genoeg dat er gauw wel iemand anders langs zou komen.

Tussen zijn oogwimpers door zag de man de vrouw wegfietsen in de richting van het dorp. Toen hoorde hij opeens luid geschreeuw. Het kwam van het benzinestation aan de overkant van de weg. Een donkere gestalte rende het winkeltje uit met wat dingen in zijn handen. Iemand kwam schreeuwend achter hem aan, de eigenaar zeker. Hij kon het winkeltje echter niet verlaten, want er waren op dat moment geen klanten en hij kon de winkel niet zo snel afsluiten. Hij bleef nog even wat schelden, en ging toen maar weer naar binnen.

De donkere gestalte was intussen de weg overgestoken en liep in de richting van het dorp. Bij de picknickbank hield hij stil. De man zag hem staan, een jonge man uit Somalië of Eritrea, hij kon het in zijn toestand niet scherp zien; er was een asielzoekerscentrum in deze plaats, dat had hij in het verpleeghuis gehoord. Om aandacht te trekken, kreunde hij een beetje. De jongen liep op hem toe. In zijn hand had hij een beker koffie, een plastic driehoek met een sandwich, en een fles spa. ‘Jij okay?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde de man, en hief met moeite zijn hoofd op. De jongen zag nu de wond op het hoofd van de man. ‘Nee,’ zei de jongen, ‘jij niet okay. Wil je wat coffee?’ ‘Graag …’ en de jongen zette de beker koffie voor hem neer. De man nam een slok van het warme vocht. ‘Kun je mijn rugzak pakken?’ vroeg de man. Hij had zijn rugzak onder de tafel geschoven voordat hij op de bank geklommen was en kon er nu niet goed meer bij. De jongen pakte de rugzak. ‘Als je hem open maakt, zie je mijn telefoon liggen. De batterij is op, maar er zit 10 euro noodgeld in. Wil je daarmee naar die benzinepomp gaan, dan kun je voor die koffie en zo betalen en vragen of die man een ambulance kan bellen.’

De jongen ritste de rugzak open, haalde de telefoon eruit, vond het briefje van tien en stopte de telefoon terug. ‘Ga maar gauw,’ zei de man. De jongen liep weg, stak over en liep naar het benzinestation. De eigenaar had hem al gezien en kwam in de deuropening staan. Flarden waaiden voorbij ‘Wat … DIEF … TUIG…’ De jongen zwaaide met het briefje van tien. ‘Ik betaal … die man … hulp.’ De man zag dat de pompeigenaar en de jongen zijn richting opkeken. De stemmen verstilden tot een meer vriendelijke toon, hij kon ze niet meer verstaan; samen gingen ze het winkeltje binnen.

Posted in Column
Tags: ,