Hans Groen

« | »

brexit, ook voor koormuziek?

Van Radio4 kreeg ik een mp3 met het complete Weihnachtsoratorium door het Nederlands Kamerkoor en anderen onder leiding van Peter Dijkstra cadeau. Al eens eerder had ik de eerste cantate door Capella Amsterdam onder leiding van Jan Willem de Vriend cadeau gekregen. Interessante verschillen: Peter Dijkstra meer met een Engelse geacheveerde klank en dictie, Jan Willem de Vriend met een meer Duitse directe. 2020 lijkt de laatste kerstmis te worden met het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie. De Engelse kathedrale koortraditie is heel populair in Nederland en ik vraag mij af of ‘Brexit’ daarin iets gaat veranderen. Als de grenzen harder worden, zullen ook de contacten wat minder intiem worden. Zal onze uitvoeringspraktijk zich allengs minder op de Engelse traditie richten?

De muziekcultuur in Nederland zou ik als ‘kosmopolitisch met een individueel geluid’ willen typeren. Het enige toegestane idool voor Nederlandse componisten is Igor Stravinsky, de componist die in zijn expressionistische periode van de Sacre, de neo-klassieke Psalmensymfonie en de laatste seriële (twaalftoons-) composities altijd als Stravinsky bleef klinken (over identiteit gesproken …). Tegelijk doen we eclectisch waar wij zin in hebben: we raken in trance bij de ongenaakbare, afgemeten accoorden van Louis Andriessens Hoketus, of op een matras bij een Canto Ostinato ‘orgie’ in Vredenburg (tot verbazing van Simeon Ten Holt, overigens). En naast het protest orkest De Volharding staat de weldadige warmte van de te-late-romantiek van Roland Voortmans Gedichte an der Nacht, of de nieuwe spiritualiteit van Joep Franssens Harmony of the Spheres.

Lang is volgens mij de blik gebleven op Duitse en Franse componisten en spiegelden we ons vooral aan de Duitse uitvoeringspraktijken. Vooral in de barokmuziek zie je dat. Eerst stelde iedereen zijn metronoom gelijk op de uitvoeringen onder leiding van Karl Richter. Daarna gingen we dansen met Nicolaus Harnoncourt die via Groningen en Den Haag in Amsterdam landde. Intussen was Amsterdam toch al het centrum van de wereld van de barok geworden met Gustav Leonhard, Frans Brüggen en Jaap Schröder (toen ik in 1985/86 in Toronto studeerde, wilde ‘iedereen’ van het conservatorium daar naar Amsterdam om te studeren).

Voor hun opnames van alle Bach cantates gebruikten Leonhard en Harnoncourt de Wiener Sängerknaben en het Tölzerknabenchor. Onaardig gezegd, en voorbijgaand aan de intentie van wat zij overbrengen in hun zingen: die koren zijn altijd een beetje vals. Toen ik een kleuter was, was er de jongenssopraan Leo Meijer. We hadden thuis een single met het motetje ‘Hör mein bitten’ van Felix Mendelssohn waarin Leo het opnam tegen het NCRV-Vocaal ensemble. Dat gebeurt bij de Wiener en Tölzer knaapjes ook: die moeten met 14 sopraantjes en 14 altjes opboksen tegen 8 tenoren en 8 bassen. Toen ik in 1981 met vakantie in Zuid Engeland was, pikte ik een cassettetape op van het Choir of Salisbury Cathedral, met daarop ‘Hear my prayer’, de Engelse versie. Dat is een heel ander geluid: het ene sopraantje neemt het op tegen 20 jongetjes en 6 mannen (2 altus, 2 tenor, 2 bas). Zonder spierballen is het koor dan mooi in balans en zijn de jongensstemmen ontspannen.

Of en hoe het gerelateerd is zou je eens moeten onderzoeken, maar ik heb het idee dat met de voortschreidende secularisatie en de toetreding van het VK tot de EEG de Engelse koortraditie meer populair werd. Ga maar na: in 1981 richtte Pieter Jan Leusink het Stadsknapenkoor Elburg op, in 1985 werd het Roder Jongenskoor opgericht. Allebei die koren zijn geënt op de Engelse kathedrale koorstijl. Peter Dijkstra groeide op in Roden en zong in het Roder Jongenskoor en staat nu dus voor het Nederlands Kamerkoor.

Nou vind ik het een verrijking dat we kunnen kiezen tussen de stoer-hoekige Duitse esthetiek en de flegmatiek-vloeiende Engelse praktijk. Ik sta net zo graag te ‘dweilen’ in een Te Deum van Charles Woods als ik met de Schola Liturgica in een Engelse kathedraal zing (maar wat een tekst en muzikale bombast voor in de ochtend!) als dat ik vloeiend en gestoken scherp de contrapunt in Jesu Meine Freude van Bach realiseer. Wat ik mij nu afvraag is, of de blik op Engeland blijft gericht nu de grens meer opgetuigd wordt. De Scandinavische en Baltische koorcultuur lokken ook, merk ik in mijn omgeving, en daarmee komen we dan weer meer in de Duits-Lutherse traditie van koorzang. Wie weet wat ‘Brexit’ voor de muziek en zangcultuur zal brengen.

Posted in Column