Hans Groen

« | »

arvo pärt: esentiele eenvoud?

Als ik vertel dat ik van moderne muziek houd, antwoorden veel mensen “Oh, Arvo Pärt?” waarna ik dan tot hun verbazing antwoord: “Nou, nee.” Als je de Klassieke Top400 van Radio4 doorneemt, is duidelijk dat Pärt één van de meest bekende en gewaardeerde hedendaagse componisten is. Mede met hem begon in de jaren negentig een revival van spiritualiteit, mystiek en religiositeit in de moderne muziek. Minimalisme, kleine bewegingen, vervoering van de luisteraar, voor velen is dit muziek teruggebracht tot de essentie en absolute eenvoud. Niets is natuurlijk minder waar.

De ontvangst van Arvo Pärt in Nederland is misschien een reactie op de harde en ritmische muziek die vanaf 1960 dominant in Nederland was. Stravinsky gloorde altijd wel tussen de notenbalken en de muzikale boodschap werd ongenaakbaar ingepeperd, eventueel met hulp van versterkers, zoals in De Staat van Louis Andriessen. Maatschappelijk engagement was een must met orkesten als De Volharding en het Willem Breuker Kollektief. Met Simeon ten Holts Canto Ostinato als scharnierpunt – nog wel een dwingend (‘obstinaat’) ritme, maar een traditionelere harmonische taal – mocht er eindelijk weer ‘mooi’ gecomponeerd worden, en droomden mensen weg op de geur van ‘essentiële’ oliën bij de tot het essentiële teruggebrachte muziek van Ten Holt en Arvo Pärt.

Waar Simeon ten Holt geen affiniteit had bij de cultus rond zijn ‘Canto’,[1] laat Pärt zich de mystiek en religiositeit wel aanleunen – in 2011 tot 2016 was hij lid van de Pauselijke Raad voor Cultuur (zie de wiki-pagina over Pärt) – en dat gaat bij mij schuren, want schrijft Pärt wel zulke essentiële, minimale, eenvoudige muziek?[2]

Tot dik in de Reformatie heerste de modale muziek van het gregoriaans en de kerktoonsoorten. Ook het Geneefse Psalter is modale, ‘atonale’ muziek – ik moet altijd een beetje lachen om goede Calvinisten die zich ergeren aan de atonale muziek van nu want ze plegen zelf ook atonale muziek, zondag in de kerk. Herhaling, melodielijnen die onafhankelijk langs elkaar schuren, het uitstellen van bepaalde tonen uit een reeks, het zijn de manieren waarop muziek van toen en van nu een verhaal vertelt. Arvo Pärt gebruikt die schema’s ook in zijn ‘eenvoudige’ en verstilde klanken.[3]

De eenvoud van muziek is schijn, de componist moet een ordening hebben om ook maar één betekenisvolle noot op papier te krijgen, zoals ik ook een taal moet hebben om mijn gedachten nu met u te kunnen delen. En vanuit die ordening kun je pas de kunst van het weglaten beoefenen. De eenvoud die mensen in de muziek van Arvo Pärt waarderen, is verre van naïef of ‘eenvoudig’. Ook Arvo Pärt is geschoold in de modale, tonale en seriële ordeningen die de componisten gebruikt hebben en zijn ‘eenvoud’ is bedacht, doordacht en een bewuste constructie. Als je zijn Zeven Magnificat Antifonen zingt, merk je dat Pärt heel nauwkeurig de dramatiek opbouwt en stuurt in ‘voorspel’, ‘hoogtepunt’, en ‘naspel’. Die aards-lichamelijke spanning ervaar je onontkoombaar en misschien dat daarom dit stuk niet in de Top400 staat; het strookt niet met het religieus-mystieke beeld dat mensen van Maria en van Pärt en zijn muziek willen hebben.

Pärt beheerst het vak uitstekend, dat staat vast. Maar heeft het genoeg inhoud? Fratres is overbekend en een goede basis van eenzaamheid voor balletten met mooie patronen van individu tegen groep, insluiten en uitsluiten. Het is mooi, maar de muziek laat alles zoals het is. Toevallig dat ik net rond een paar ‘Pärten’ naar de Top400 op de radio luisterde: een voorspelbaar De Profundis met lage, ‘diepe’, zang; een wat vermoeiend Da Pacem Domine – ik heb dat ook weleens gezongen en je bent steeds aan het drukken op de dissonantjes die tussen de stemmen ontstaan, wat een beetje vermoeiend luisteren blijkt, want op een gegeven moment weet je het wel. Thomas Tallis, weet ik uit ervaring, schreef muziek waar je die dissonanten ook moet uitbuiten, maar dan is het organisch-toevallig verweven in de melodielijnen. Vlak na Pärt kwam inderdaad de Fantasia on a theme by Thomas Tallis van Ralph Vaughen Williams langs; wat een verademing. Thomas Tallis, zònder de last van eeuwen, hoefde natuurlijk niets weg te laten om eenvoud met veel inhoud te bieden, maar Vaughan Williams voegde, mèt die last van eeuwen, weinig toe en bleef zo dicht bij die oorspronkelijke eenvoud.

Arvo Pärt is onbetwijfeld een vakman, maar ik hoor teveel ego en gekunsteldheid. Ik ontkom niet aan het gevoel dat hij met zijn stijl gewoon een beetje plat een gat in de markt ontdekte. Als je voor de eenvoud van Pärt valt, wordt je bij de neus genomen, het is geen eerlijk minimalisme, er is teveel wat hij je niet vertelt. Na Da Pacem klonken op 22 oktober ook delen uit de Drei Groschenoper van Kurt Weill, onder andere door Nina Hagen gezongen – aards-eenvoudige muziek die je met de boodschap om de oren slaat. Ik was weer bij de les.

 

[1] Interview door Erik Voermans in “Van Andriessen tot Zappa”, Deuss Music, 2016, p.246.

[2] De ruimte hier is te klein, en mijn expertise te beperkt om hier uitgebreider op in te gaan dan alleen aan te geven dat je hier raakt aan de idee dat er een oorspronkelijk natuurlijke universele taal was, en een oorspronkelijk, universele toon-taal. Maar zodra je je gaat verdiepen in reine tertsen of gelijkzwevende temperatuur, waarom een carillon altijd ‘vals’ klinkt, waarom een mathematisch zuiver gestemd instrument doods klinkt, en waarom Sinta Wullur een chromatische gamelan heeft laten maken, weet je dat je een lieflijk geurende beerput aan het openen bent.

[3] Ik volg hier het verhaal dat componist en musicoloog Ernst Krenek van de muziek vertelt in Über neue Musik, Darmstadt 1977.

Posted in Column
Tags: ,