Hans Groen

« | »

als je het niet wilt ruiken, moet je het niet gebruiken

Dit jaar zou Groningen het gaan doen zonder de bitter-zoete-weeë geur van de suikerfabriek bij Vierverlaten. De fabriek is van september tot half januari in bedrijf – de ‘suikerbietencampagne’ – en het drogen van de uitgekookte bietenpulp levert de kenmerkende geur op. De Suikerunie (het bedrijf heeft intussen en ‘moderne’ nietszeggende naam) gaat de pulp niet meer drogen. En dus zou vanaf dit jaar die geur niet meer te ruiken zijn. Nou, gelukkig is dat niet helemaal waar, af en toe komt er nog wel een wolkje in je neusgaten.

De meningen zijn verdeeld: weg met die hinderlijke geur, of toch een verarming, want het hoorde bij Groningen en het najaar. Geuren in de stad zijn minder en minder vanzelfsprekend geworden. Op straat is de geur van paardenmest vervangen door de geur van benzine- en dieselmotors en die geur zal verdwijnen als we allemaal elektrisch rijden. Maar er was vanouds ook veel industrie in de stad. Toen ik naar de lager school ging, stonden aan de Ringdijk in Amsterdam nog de restanten van een gasfabriek, bijna naast een melkfabriek die nog in bedrijf was. Bij het Amsterdams Amstelstation, waar mijn middelbare school stond, was een fabriek voor geurstoffen waardoor het vaak naar een frisse zeep rook. En er was Fosco, die cacao voor chocolademelk maakte. Op mistige herfstochtenden hing er dan een zware chocoladedeken over de wijk. Dan was er een fabriek van Klene, achter het Leidseplein, en de brouwerijen van Amstel en Heineken aan de Stadhouderskade.

Vanaf 1980 zijn al die fabrieken, met hun geuren, uit de stad verdwenen. Aan het IJ in Noord is er nu alleen nog een chemische fabriek. Wat je wel rook, vooral in de weekenden, was dat de boeren in het Waterland of rond Weesp hun gier hadden uitgereden – om de een of andere reden wordt dat vaak op de zaterdag gedaan, ter voorbereiding op de zondag, denk ik.

Geur is nu hinderlijk, valt onder die grote nietszeggende categorie van ‘overlast’,  en moet dus voorkomen worden. Nou is dat niet altijd onzin. Om even bij de mest te blijven: gier, het mengsel van koeiepoep en –pies dat uit de stal komt van de boer die geïnvesteerd heeft in zijn melkquotum, stinkt gewoon. Een traditionele potstal – zoals ik bij bijvoorbeeld op de Eemlandhoeve in Bunschoten heb gemerkt – ruikt veel normaler en de lichte broei die de poep en de pies met het stro beginnen, houdt de boel nog een beetje warm (vloerverwarming voor koeien). Het kan dus aangenamer, maar moet je daarom alle onaangename, soms misschien wel walgelijke, geuren maar wegfilteren en weghouden van de bewoonde wereld?

Alles wat in onze keukenkastjes en koelkast staat, alle apparaten waarmee we ons werk doen, alles waarmee we de dag spelend en ons ontspannend doorbrengen, moet ook gemaakt worden. En dat productieproces stinkt heel vaak. Gist voor ons dagelijks brood, azijn en tafelzuren, suiker, bierbrouwerijen, de grondstoffen voor de douchegelletjes, het is niet alleen de petrochemische industrie die stinkt. Als je het niet wilt ruiken, gebruik het dan niet – dat is natuurlijk niet vol te houden. Zonder auto kunnen we zeker, maar zonder brood, een beetje kaas, wat suiker in de cake, en een glaasje bier, houdt het gauw op. Je kan beter de idee van ‘overlast’ uit je ervaring zetten en de ‘stank’ omarmen. Geuren zijn een teken van leven: je rook de bokking als je in Scheveningen uit lijn 11 stapte; je rook bietenpulp en wist ‘het is najaar’; je ruikt de mest die over het hooiland wordt uitgereden zodat je ook in de winter een glaasje melk kunt drinken; je ruikt de carbolineum waarmee je je schuur gaat bestrijken als je door Uithoorn (Cindu) fietst. Al die soms onaangename geuren vertellen hoeveel er gedaan wordt om ons leven in stand te houden en leuk te maken.

Moet je dan álles omarmen? Denk dan aan de potstal: als je niet voor de export produceert, maar gewoon genoeg voor je eigen gebruik, is zo’n gemoedelijk geurende potstal voldoende en hoeft je als boer geen gier meer uit te rijden. Als we ‘overlast’ ondervinden van stank, zouden we eerst moeten kijken naar wat en hoeveel we voor ons dagelijks leven laten produceren op het land en in de industrie. En dan een ‘onsje minder nemen’.

Posted in Column
Tags: , ,