Hans Groen

« | »

1 mei en de laatste arbeider

Het tijdperk van ‘de arbeider’ als grootmacht in de economie loopt ten einde. Niet dat de arbeider als machtsfactor verdwijnt, maar er komt een nieuwe macht naast, een leger van nieuwe zelfstandigen, ambachtsmensen, dienstverleners, parttime krachten, en hen die in de platformindustrie werken. Deze groep, die niet baanzeker is en marginaal in de sociale zekerheid is opgenomen, wordt ook wel aangeduid als het nieuwe ‘precariaat’. Voor een belangrijke groep is het ook niet aanlokkelijk om als ‘werknemer’ op jonge leeftijd bij een ‘baas’ te starten en na 40 jaar met een bedrijfspensioen af te zwaaien – zeg maar de ‘normale’ arbeidscarrière die nog steeds normatief is voor het beleid van de sociale partners.

De opkomst van deze groep lijkt het absorptievermogen van de bestaande economie te bevestigen, en de verwachting dat door technologie (robots!) werk en banen zullen verdwijnen te logenstraffen. Ik denk dat hier hoe dan ook blijkt hoe sterk de menselijke wil is om door arbeid in het eigen levensonderhoud te voorzien. Mensen zoeken nieuwe manieren, of gaan aan de slag in minder gereguleerde werkrelaties.

Werkloosheid wordt altijd negatief ervaren en het is daarom fataal voor de persoon om bij werkloosheid een arbeidsprestatie te verlangen voor een uitkering. Dat beleid wordt ingegeven door het dogma dat Rutger Bregman in “Gratis geld voor iedereen” (2014/2016) niet moe wordt te bestrijden, namelijk dat je moet werken voor je geld. Ja, dat dogma moet je afwijzen, maar ik denk dat je dat het beste doet door ermee te begínnen dat mensen willen werken voor hun dagelijks brood. Daarmee proef je namelijk ook waarom het steeds weer lukt om mensen uit te buiten – liever werken voor een slecht loon dan thuiszitten.

Alleen, bij het alternatief van ‘arbeidsloos inkomen’ huiver ik. ‘Arbeidsloos inkomen’ klinkt voor mij als de eenvoudige omkering van het truckje dat ons juist in zo grote moeilijkheden heeft gebracht. De afgelopen twee decennia hebben we een exponentiële economische groei gezien die niet op productiviteit (‘arbeid’) is gebaseerd; banken, financiële instellingen, beurskoersen van internetbedrijven als über en google weerspiegelen geen toegevoegde waarde, maar herkauwde waarde. De  nieuwe economie is een herkauwerseconomie geworden. Goed, je móet niet werken voor je geld; maar voor geld moet wel gewerkt worden.

Als je gratis geld plaatst in de strijd tegen armoede, is het een ander verhaal. Armoede maakt van mensen overlevers; als je de hele dag moet zorgen dat je je dagelijks brood krijgt, kom je aan mooiere dingen niet toe en blijf je gevangen in je situatie. Bregman verwijst naar een overvloed aan studies die aantonen dat armoede dus geen pesoonlijkheidsgebrek is. Of neem Robert Putnam: hij adviseert in “Our Kids” (2015) dat uitkeringsmoeders met kinderen de eerste 5 jaar niet verplicht zouden moeten solliciteren, en dat een simpele jaarlijkse gift van $3000 tijdens de eerste 5 levensjaren, kinderen later in een betere positie zet.

Vrijgevige sociale voorzieningen, zonder voorwaarden en tegenprestaties leveren meer op dan mondjesmaat, minutieus gecontroleerde voorzieningen en het ‘heitje’ alleen na een ‘karweitje’. Een vrijgevig systeem is goedkoper, en de mensen die er gebruik van moeten maken zijn eerder boven Jan. Want, mensen willen in hun levensonderhoud voorzien door de arbeid die zij verrichten.

Zo’n vrijgevig sociaal vangnet is mogelijk, zelfs of juist in tijden van recessie. Probleem is alleen dat de sociale dialoog die dit mogelijk moet maken, beheerst wordt door werkgevers en vakbonden. Het precariaat valt tussen wal en schip in de sociale dialoog – zij zijn noch werkgever, noch entrepreneur, noch werknemer. Maar deze groep heeft juist veel belang bij een goed vangnet, op een urgentere wijze dan de cao-geregelde werknemers. Het zou mooi zijn als er geen Marx-se Verelendung nodig is om het precariaat de gelederen te laten sluiten en aan de tafel van de sociale dialoog aan te sluiten.

Tags: