Emigreren gaat van ‘Au!’ vooral als je ouder wordt

Vanaf de jaren vijftig tot halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw heeft Nederland zo’n 600.000 personen ‘geëxporteerd’ naar vooral Canada en Nieuw Zeeland. Economische motieven hebben een grote rol gespeeld; de vlucht voor een bloeddoordrenkte halve eeuw speelde ook mee. De wederopbouw was gaande waarin beperkt uitzicht was op een baan. De mechanisatie van de landbouw begon en de landbouwpolitiek en het begrenzde areal aan grond maakten emigratie naar elders een wenkende optie – de Philishave fabriek in Drachten kon tenslotte ook maar een beperkt aantal boerenzonen emplooy bieden.

Ze gingen, bouwden een nieuw leven op in Canada, en Nieuw Zeeland, wetend dat zij hun familie in Nederland nooit meer zouden zien. Hun kerken namen ze mee – gereformeerde en ook vrijgemaakt gereformeerde kerken ontstonden in de landen van aankomst, om de meest typische Nederlandse identiteiten te noemen. Ik heb ze ontmoet toen ik van 1985 tot 1986 aan het Institute for Christian Studies, het ICS, in Toronto studeerde. Ik hoorde het verhaal hoe de vereniging waaruit het ICS was opgericht zich tegen alle adviezen in toch ‘Association for the Advancement of Christian Studies’ noemde -- AARS. Ik hoorde ook de anecdotes, hoe Amerikaanse ‘vrijgemaakten’ wel naar de bioscoop gaan, maar niet drinken, en de Canadese niet naar de bisocoop en wel drinken. Maar ik heb ook de pijn gezien van de moeders die met steenkolen ‘Dengels’ hun kinderen hadden grootgebracht. Veel van de conversatie van die kinderen ontging hun, schatte ik in, maar ze waren wel erin geslaagd een lief gezin te hebben gesticht.
Eén vader is mij bijgebleven. Zijn zoon studeerde aan Calvin College (in Grand Rapids, Michigan) en ik had hem ontmoet tijdens de jaarlijkse rondreis die Calvin College studenten maken naar hun ‘roots’ in Nederland, een half jaar voordat ik naar Toronto ging. Ik heb hem in de kerstvakantie opgezocht. Zijn ouders woonden in Rochester, New York, en zijn vader werkte bij, natuurlijk, Eastman-Kodak. Op mijn netvlies staat nog steeds de tragiek naast of achter zijn geluk. Ja, hij had een eigen huis (met ‘basement’); en ja, belangrijker, zijn kinderen konden allemaal naar college en de universiteit. Maar hij had ook iets onbenoembaars verloren – zijn geborgenheid, een stukje van zijn trots?
Van 2005 tot 2008 woonde ik in Vancouver, BC. Ik heb daar ondermeer Nederlandse les gegeven in het publieksprogramma van de Universiteit van Brits Columbia. Belangstelling voor de Nederlandse taal was toen groeiend. Kinderen van Nederlandse emigranten merkten dat ze hun ouder wordende vader of moeder niet meer konden begrijpen. Als je ouder wordt, ga je terug in de tijd leven, terug in de herinneringen van toen je kind was, en die herinneringen zijn in het Nederlands opgeslagen. En omdat jet niet vertaalt als je spreekt, spraken die ouders dus vooral Nederlands. En de kinderen wilden kunnen volgen waarover hun ouders het hadden.
Emigreren gaat van ‘Au!’ De groep die in de jaren vijftig vertrok, nam definitief afscheid. Dat is met goedkoper vervoer en de nieuwe communicatiemogelijkheden intussen heel erg verzacht. Maar op hun oude dag raken ze opnieuw het contact kwijt. ‘Staphorst aan de Fraser River’ hadden ze niet gebouwd; het invliegen van Nederlandse vrijwilligers was geen optie, dus gingen de kinderen hun Nederlands opfrissen of,vaker, voor het eerst leren.
Met internet en sateliettv kan je heel lang in je eigen bubbel blijven leven. Maar je moet het rooien met de mensen om je heen, op de plek waar je woont. Je moet door de pijn heen, en ook voorbij de muren van je eigen onmogelijkheden gaan. Als je het ‘Au!’ van je migratie niet hebt verwerkt, blijf je een eenzame ziel die alleen door je eigen mensen kan worden geholpen. En dan zie je niet dat jouw problemen dezelfde zijn als die van de mensen om je heen. Simon Carmiggelt dichtte het al in 1982, in ‘Later’: “..ach, we wonen toch alleen / in zo'n rothuis met een trap.”