Publieke glimlach

We blijven somberen en dat komt omdat we de homogene cultuur van de jaren vijftig niet willen loslaten – zo vat NRC het betoog van Gabriël van den Brink samen (3 oktober 2016). Onbedoeld haalt de redactie daarmee het betoog gelijk onderuit, en terecht, want die homogene cultuur heeft nooit bestaan. Zolang we in die verleden homogene cultuur blijven geloven, komen we niet verder met het samenleven in Nederland en zullen we ook niet snappen waarom iederéén met de mondhoeken omlaag loopt. Het gemeenschapsdenken staat in de weg.

De heimwee naar de jaren vijftig is vooral een product van het gemeenschapsdenken van de jaren tachtig. De warmte van de gemeenschap en de vastigheid van een homogene identiteit zou in de moderne tijd ontbreken, waardoor mensen moreel ontwotteld waren. De warmte van de theemuts en het mariakaakje in een trommel werd voor velen geprojecteerd op hun kindertijd, de tijd dat je 8, 9 jaar was – een ontwikkelingspsychologisch gegeven, want die tijd, wanneer je met andere kinderen leuk kunt gaan spelen, herbergt de beste herinneringen voor veel mensen. Alleen was die tijd, de jaren vijftig, helemaal niet zo homogeen, in ieder geval niet als het om identiteit gaat. Het was nog volop ‘verzuiling’, en daarin was er nauwelijks een homogene Nederlandse identiteit. Ook toen al bestond ‘de Nederlander’ niet, maar niemand maakte zich daar druk om. Dé Nederlander was Rooms-Katholiek, Gereformeerd, Socialistisch, of wat dan ook; de Nederlandse identeit werd bemiddeld via de zuil, of regionale afkomst.

Dat deze diversiteit toch werkte, was omdat er een vergelijk bestsond tussen de zuilen waarin ook ontmoeting plaatsvond. Dat is een aspect van de ‘verzuiling’ dat steeds vergeten wordt. Er was een socialistische, christelijke en katholieke vákbond; een socialistische, christelijk, en katholieke ómroep. Naast elkaar deden we hetzelfde, en toen zijn we het vanzelf vaak maar met elkaar gaan doen. De verzuiling moest wel verdwijnen omdat de maatschappelijke activiteit zélf het verbindende cement was. De ‘zuilen’ definieerden ook een vrij toegankelijke ruimte van ‘samen’, van maatschappelijk vergelijk.

Het gemeenschapsdenken dat vanaf 1980 opkomt als tegenwicht tegen het maatschappelijk individualisme dat dan in de politiek de boventoon voert, heeft die mogelijkheid van ontmoeting, van maatschappelijke vergelijk, afgesneden. Dit denken stelt dat je vooraf aan je maatschappelijke rol, vooraf aan de gelijkheid en vrijheid in de rechtsstaat, een morele verplichtingen hebt tegenover de gemeenschap waartoe je behoort. De vader van dit denken, Michael Sandel, had het dan over ‘taal’ en ‘natie’. Later verwijst Amitai Etzioni naar etnische getto’s als Spanish Harlem of de homogemeenschap in Greenwich Village als hij die ‘gemeenschappen’ wil karakteriseren. Het zijn nou net die gemeenschappen die we om te kunnen samenleven tussen haken moeten zetten. Het oneindige recht van het individuele staat ons toe altijd kritisch te zijn tegenover onze omringende gemeenschap, niet als nestbevuiler, maar in dienst van de humaniteit.
Het gemeenschapsdenken vulde mooi de leegte die de ontzuiling had achtergelaten. De zuilen werden vervangen door etnische en sociaal-economische gemeenschappen. En die gemeenschappen worden steeds homogener en meer afgebakend. We worden ieder opgesloten in een etnisch, cultureel of sociaal-economische getto van het eigen gelijk achter de eigen ‘schotelantenne’ – ook ‘sociale media’ als facebook en twitter melden ons vooral wat we al weten en sluiten alles buiten wat we niet zoeken.
Gemeenschappen functioneren door anderen buiten te sluiten. We zijn de publieke pleinen waar we onverwachte ontmoetingen hebben, kwijtgeraakt. We hebben het gemeenschapsdenken goed ter harte genomen en spelen de troefkaart van onze gemeenschap. En dus zijn we allemaal verongelijkt omdat we merken dat andere gemeenschappen ons bloeien in de weg staan. Ik krijg geen werk vanwege mijn leeftijd, vanwege mijn achternaam, of omdat een Roemeen of Bulgaar mijn baan inpikt; het is steeds een andere ‘gemeenschap’ die mij de voet dwarszet, en dus míjn gemeenschap miskent. We willen erkenning van ónze gemeenschap, maar we hebben geen gemeenschap die die erkenning kan geven want er is buiten onze gemeenschap geen vrij toegankelijke ruimte meer. Daardoor zien we ook niet de constante tussen heel veel sombere gezichten, of die nu de verkeerde leeftijd, de verkeerde achternaam, de overbodige baan hebben, of wat dan ook: ze delen veelal een sociaal economische klasse waarvan onderhands gebleken is dat die ‘dubbeltjes’ geen kwartjes meer worden, dat die misschien zelfs eerder stuivertjes worden.
Zolang onze gemeenschaps-troefkaarten op tafel liggen, zullen we elkaar ontzettend veel pijn gaan doen, dat is nu al zichtbaar, en zullen onze mondhoeken niet omhoog gaan. Om samen te leven, moet je ruimte kunnen delen en je deelt niet met elkaar door je als Nederlander, Turk, Marokkaan, 50-plusser of wat dan ook in die ruimte te presenteren en op grond daarvan een bepaald deel op te eisen. We zijn verleerd om zonder troefkaarten in de hand het publieke plein te betreden. Hoe vreemd dat ook klinkt, de verguisde verzuiling kan ons misschien iets leren over hoe we met anderen die totaal verschillende opvattingen hebben, respectvol kunnen samenleven.